ECLI:NL:RBROT:2023:10017
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing wettelijke schuldsaneringsregeling wegens te kwader trouw schulden en onvoldoende inzicht in schuldenlast
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp), waarbij hij inkomsten ontvangt uit een Participatiewet-uitkering en een schuldenlast van bijna €1,9 miljoen opgeeft. De rechtbank oordeelt dat het verzoek onvoldoende inzicht geeft in de aard en omvang van de schulden, met name door onduidelijkheden over vorderingen van Frieslandbank en Rabobank. Daarnaast is gebleken dat verzoeker te kwader trouw schulden heeft opgebouwd, waaronder een omvangrijke schuld aan Rabobank die voortkomt uit onrechtmatig handelen met valse facturen, waarbij verzoeker als bestuurder betrokken was.
Ook is een alimentatieschuld van ruim €122.000 aan het LBIO niet te goeder trouw ontstaan, omdat verzoeker naliet een nihilstellingsprocedure te starten. De rechtbank constateert dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich maximaal heeft ingespannen om af te lossen, mede omdat medische onderbouwing voor arbeidsongeschiktheid ontbreekt. Gezien deze omstandigheden voldoet verzoeker niet aan de vereisten van artikel 285 en Pro 288 Faillissementswet om toegelaten te worden tot de wsnp.
De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van relevante eerdere uitspraken, waaronder een vonnis van 20 mei 2020 en arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Hoge Raad, die de betrokkenheid van verzoeker bij onrechtmatig handelen bevestigen. Op grond hiervan en het ontbreken van voldoende inzicht en goede trouw wijst de rechtbank het verzoek af. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende inzicht en te kwader trouw schulden.