De rechtbank Rotterdam behandelde op 5 oktober 2023 een verzoek tot beoordeling van de noodzaak tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige die in een pleeggezin verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming had geconcludeerd dat beëindiging van het gezag niet noodzakelijk was, maar de gecertificeerde instelling (GI) was het hier niet mee eens en verzocht de rechtbank om een oordeel.
De feiten tonen aan dat de minderjarige een belast verleden heeft met problematiek bij beide ouders. De vader heeft geen contact met de minderjarige en toont geen bereidheid tot samenwerking met hulpverlening, terwijl de moeder wel medewerking verleent en contact onderhoudt. De pleegouders en hulpverleners signaleren dat de minderjarige veel spanning en stress ervaart door de huidige situatie.
De rechtbank oordeelt dat het gezag van de vader moet worden beëindigd omdat hij niet in staat is zijn verantwoordelijkheid te dragen en het contact ernstig verstoord is. Het gezag van de moeder blijft gehandhaafd gezien haar positieve ontwikkelingen en betrokkenheid. Tevens verlengt de rechtbank de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot aan zijn meerderjarigheid om continuïteit en rust te waarborgen.