Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiseres 1] ,
[eiseres 2],
[eiseres 3],
1.Waar gaat de zaak over?
2.De procedure
- de dagvaarding van 2 oktober 2023;
- producties 1 tot en met 63 van [eisende partij] ;
- de conclusie van antwoord en producties 1 tot en met 18 van ABN AMRO;
- de pleitnota van mr. Van den Bosch;
- de pleitnota van mr. Wijnstekers.
3.De feiten
Vanaf 11 september 2023 (hierna: de beëindigingsdatum) gaan we al uw producten en diensten beëindigen. Bij deze diensten moet u denken aan de mogelijkheid om geld over te maken, geld te storten of toegang te hebben tot uw rekeningen.(..)”
4.Het geschil
5.De beoordeling
Het spoedeisend belang
allegronden waarop deze berust, vermeldt en deze voldoende concretiseert. Zij is daar ook al eerder op gewezen door de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 16 november 2022 (ECLI:NL:RBAMS:2022:7133, r.o. 4.2.).
waardoor niet is voldaan aan het gestelde in artikel 6, lid 1 van de EUTR”, beroept op concrete, zwaarwegende risico’s die zij niet kon, mocht en wenste te aanvaarden. ABN AMRO noemt de Wwft noch het rapport van de NVWA als redenen voor opzegging in de brief van 10 juli 2023. Gelet op het uitgangspunt dat de opzegging naar de stand van 10 juli 2023 moet worden beoordeeld, laat de voorzieningenrechter deze twee gronden hierna buiten beschouwing. Over het verwijt van ABN AMRO dat [eisende partij] artikel 21 Rv Pro heeft geschonden door het NVWA rapport niet spontaan over te leggen wordt het volgende overwogen. [eisende partij] stelt dat het rapport slechts bevindingen weergeeft en (nog) geen beslissing. [eisende partij] mocht reageren en heeft dat ook gedaan – een citaat uit die reactie staat in haar pleitnota – waardoor de procedure bij de NVWA nog loopt en niet is afgerond. Het NVWA rapport is niet aan de opzeggingsbeslissing ten grondslag gelegd en ABN AMRO heeft niet eerder om enige toelichting op de bevindingen daarin gevraagd. ABN AMRO heeft hier niet op gereageerd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van [eisende partij] verwacht mocht worden dat zij het NVWA rapport en haar reactie daarop (met desgewenst een toelichting) had overgelegd, althans had besproken, omdat het gaat over dezelfde problematiek als in dit kort geding aan de orde is. Gelet op de stand van zaken in die procedure is er echter geen aanleiding om aan het achterwege laten van overlegging enige consequentie te verbinden.
chain of custody) waarover ABN AMRO beschikt, blijkt dat [eisende partij] producten heeft ingekocht bij de fabriek Murashinkiy en deze vooruitbetaald had. Dat bedrijf verzorgt echter niet de logistiek en op het moment dat het gekochte verscheept moest worden, waren de grote westerse rederijen uit Sint Petersburg vertrokken. Door Plywood voor de logistieke dienstverlening in te schakelen, zijn de producten uiteindelijk in Rotterdam afgeleverd. Volgens [eisende partij] maakt ABN AMRO (nog altijd) niet kenbaar uit welke openbare bronnen blijkt dat Plywood is gelinkt aan Sveza en hoe [eisende partij] dat had moeten weten. [eisende partij] betwist dat [naam 2] een betaalinstructie heeft gegeven. Zij heeft slechts gebeld voor overleg en advies omdat een deel van de leveringen nog niet betaald was. Bellen voor het geven van een betaalinstructie is ook onlogisch omdat [eiseres 1] beschikte over onlinebankieren.
foutief gebruik van het PEFC-logo” door [eisende partij] op haar website maar dat wordt niet onderbouwd. Het wordt bovendien ontkracht door de producties van [eisende partij] (zoals ABN AMRO ter zitting uiteindelijk wel erkent). Daarmee staat vast dat ABN AMRO in de opzeggingsbrief een onjuist argument heeft gebruikt. Het noemen van valse FSC-certificeringen koppelt ABN AMRO niet aan [eisende partij] en ook niet aan een van de contractspartijen van [eisende partij] Dat is reden om deze stelling verder buiten beschouwing te laten.
1.619,00