ECLI:NL:RBROT:2023:10141

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 november 2023
Publicatiedatum
2 november 2023
Zaaknummer
ROT 22/5255
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 3 Wet waardering onroerende zakenArt. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 2 Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging WOZ-aanslag wegens onjuiste berekening totaalbedrag aanslagbiljet

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling inzake de WOZ-waarde van een woning en het daarbij behorende aanslagbiljet voor het belastingjaar 2022.

Verweerder had de WOZ-waarde vastgesteld op € 946.000,-, welke na bezwaar was verlaagd naar € 848.000,-. Eiser betwistte de berekening van het totaalbedrag van het aanslagbiljet en stelde dat dit bedrag onjuist was. De rechtbank stelde vast dat de WOZ-waarde zelf niet in geschil was, maar dat de berekening van het aanslagbiljet onjuist was toegepast.

De rechtbank corrigeerde de berekening van het aanslagbiljet en stelde het bedrag vast op € 1.179,57 in plaats van € 1.215,75 minus € 100,-. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om wettelijke rente af omdat niet was gebleken dat de aanslag al was betaald. Vergoeding van proceskosten werd eveneens afgewezen omdat eiser geen beroepsmatige rechtsbijstand had ingeschakeld.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het het totaalbedrag van het aanslagbiljet betreft en droeg verweerder op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor het aanslagbiljet en stelt het totaalbedrag vast op € 1.179,57.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5255

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2023 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser,

en
het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling,verweerder.

Procesverloop

Met de besluiten van 31 maart en 30 april 2022 (de WOZ-beschikking) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2022 vastgesteld op € 946.000,-.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde. Op grond van artikel 30, derde lid, Wet waardering onroerende zaken wordt een bezwaarschrift tegen de WOZ-waarde mede te zijn gericht tegen de aanslag onroerende-zaakbelastingen tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.
Bij uitspraak op bezwaar van 27 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen gegrond verklaard en de waarde nader vastgesteld op € 848.000,-.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben toestemming gegeven, als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, om een onderzoek ter zitting achterwege te laten, zodat uitspraak zal worden gedaan op grond van de gedingstukken. De rechtbank heeft het onderzoek op 21 september 2023 gesloten.

Overwegingen

1. De onroerende zaak is een woning met een gebruiksoppervlakte van 271 m². Het bouwjaar is 2008. In het bestreden besluit is de WOZ-waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2021 getaxeerd op € 848.000,-. Deze waarde is tot stand gekomen door vergelijking met verkooptransacties van de woningen [adres 2], [adres 3] en [adres 4].
2. De rechtbank stelt vast dat de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2021 niet in geschil is.
3. Eiser voert aan dat de verlaging van de waarde van de onroerende zaak in bezwaar weinig onderbouwd is en dat de aanslag voor de lokale belastingen dient te worden berekend over de nieuw berekende WOZ-waarde.
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat het aanslagbiljet van 30 april 2022 wordt verminderd met een bedrag van € 100,- naar € 1.215,75. De rechtbank acht deze berekening onjuist. De rechtbank komt tot de volgende berekening voor wat betreft het bedrag van het aanslagbiljet van 30 april 2022:
- OZB eigenaar € 848.000,- x 0,10160% = € 861,57
- wegenheffing gebouwd € 848.000,- x 0,00630% = € 53,42
- watersysteemheffing gebouwd € 848.000,- x 0,03120% = € 264,58
Dit is bij elkaar € 1.179,57. Het bedrag van het aanslagbiljet van 30 april 2022 moet dus niet met € 100,- worden verminderd maar met € 136,18. De rechtbank stelt het bedrag van het aanslagbiljet van 30 april 2022 vast op € 1.179,57. De beroepsgrond slaagt.
4. Verder voert eiser aan dat de verlaging van de WOZ-waarde met zich brengt dat de WOZ-waarde voor de elf daarvoor gelegen belastingjaren opnieuw moeten worden berekend. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. De WOZ-waarde wordt per jaar vastgesteld en de belastingjaren vóór 2022 vallen buiten de omvang van het geschil tussen partijen. De rechtbank wijst er nog op dat verweerder heeft toegelicht dat er op grond van artikel 2 van Pro het Uitvoeringsbesluit Wet waardering onroerende zaken geen aanleiding was om ambtshalve de eerdere belastingjaren aan te passen. Vanaf 2022 moeten de taxaties van woningen gebaseerd zijn op vierkante meters (gebruiksoppervlakte). Dit is een landelijke verplichting waardoor er van kubieke meters naar vierkante meters is overgegaan. Volgens de taxateur is bij eerdere belastingjaren uitgegaan van een inhoud van 940 m³. Naar aanleiding van het beroep is de inhoud opnieuw berekend aan de hand van de bouwtekeningen en hieruit is gebleken dat de inhoud 958 m³ is. Bij de voorgaande belastingjaren is dus niet uitgegaan van een te grote inhoud.
6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar.
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
8. Eiser verzoekt om wettelijke rente over de te veel betaalde lasten. In het bestreden besluit is het uitstel van betaling opgeheven. Eiser heeft in zijn beroepschrift toegelicht dat alles tot eind 2021 is betaald. Uit het dossier blijkt niet dat eiser de aanslag al heeft betaald. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. Eiser heeft ook aangegeven dat zijn accountant met de nieuwe WOZ-waarden het eigenwoningforfait moet berekenen, dit kost tijd en geld. Dit is dusdanig ongespecificeerd dat de rechtbank dit niet aanmerkt als een verzoek om schadevergoeding. Eiser heeft ook verzocht om vergoeding van de kosten die hij voor de bezwaar- en beroepsprocedure heeft gemaakt. Niet is gebleken dat eiser gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de vaststelling van het totaalbedrag van € 1.215,75;
- bepaalt dat deze uitspaak hiervoor in de plaats komt;
- stelt het totaalbedrag van het aanslagbiljet van 30 april 2022 vast op € 1.179,57;
- wijst het verzoek om wettelijke rente af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).