Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.Het verdere verloop van de procedure
- de moeder met haar advocaat;
- de stiefvader;
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds oktober 2022 niet meer thuis verblijft. De moeder heeft het ouderlijk gezag en de minderjarige verblijft momenteel in een gezinshuis. De kinderrechter heeft eerder al een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verleend.
Tijdens de mondelinge behandeling gaf de minderjarige haar mening en was aanwezig bij de uitspraak. De gecertificeerde instelling lichtte toe dat het doel van de verlenging is om te werken aan een terugplaatsing naar huis, waarbij hulpverlening aan het systeem als geheel wordt ingezet. De moeder en stiefvader verzetten zich tegen de verlenging en benadrukken de positieve ontwikkelingen en hun bereidheid tot contactherstel en terugkeer.
De kinderrechter oordeelt dat verlenging noodzakelijk is omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd, onder meer door eerdere fysieke mishandeling waarvoor de moeder strafrechtelijk is veroordeeld. De hulpverlening lijkt aan te slaan en de recente positieve ervaring tijdens een verblijf op Curaçao geeft hoop. De terugplaatsing moet echter voorzichtig en gefaseerd plaatsvinden om teleurstellingen te voorkomen.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd tot 6 januari 2024 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk via de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 6 januari 2024 met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.