Uitspraak
1.Het procesverloop en de processtukken
- de dagvaarding van de verdachte en
- de beschikking van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2021, waarbij de strafzaak tegen verdachte is verwezen naar deze rechtbank.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak heeft een rechter van de rechtbank Rotterdam een verzoek tot verschoning ingediend in een strafzaak tegen een verdachte. De zaak was door de rechtbank Den Haag verwezen naar Rotterdam omdat de verdachte een familiaire relatie heeft met een medewerker van de rechtbank Den Haag. De rechter was tot 1 januari werkzaam als rechter-commissaris in Den Haag en heeft nauw samengewerkt met het familielid van de verdachte.
De rechter heeft aangegeven dat zij de verdachte niet persoonlijk kent, maar wel diens advocaat heeft ontmoet in haar eerdere functie. Daarnaast onderhoudt zij nog contact met medewerkers van de rechtbank Den Haag en acht het mogelijk dat zij het familielid tegenkomt. Dit geeft haar een vervelend gevoel bij het behandelen van de zaak.
De rechtbank benadrukt dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Hoewel er geen aanwijzing is dat de rechter subjectief niet onpartijdig is, acht de rechtbank het feit dat de rechter zelf het verzoek indient een zwaarwegende aanwijzing voor een objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid kan lijden.
Op grond hiervan wijst de rechtbank het verzoek tot verschoning toe. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en ondertekend door drie rechters en de griffier op 17 oktober 2023.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt toegewezen vanwege de objectief gerechtvaardigde vrees voor aantasting van onpartijdigheid.