AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiseres, werkzaam als begeleider gehandicaptenzorg, vroeg een WIA-uitkering aan na langdurige arbeidsongeschiktheid. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar en aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek bleef verweerder bij dit standpunt. Eiseres voerde aan dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat zij de geselecteerde functies niet kon verrichten vanwege diverse beperkingen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts de beperkingen inzichtelijk en gemotiveerd had vastgesteld, waarbij rekening was gehouden met het medicatiegebruik en de psychische problematiek. De rechtbank vond dat de door eiseres aangevoerde aanvullende medische informatie onvoldoende aannemelijk maakte dat verweerder een onjuist beeld had.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling concludeerde de rechtbank dat de belastbaarheid van eiseres niet werd overschreden bij de geselecteerde functies, ondanks een motiveringsgebrek in het bestreden besluit over het verwondingsrisico bij de functie productiemedewerker confectie. Dit motiveringsgebrek werd echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 AwbPro omdat eiseres hierdoor niet werd benadeeld.
De rechtbank bevestigde dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 17 juni 2021 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd aan eiseres vergoed en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1670
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen een afwijzing van haar WIA [1] -uitkering. Met het primaire besluit van 14 april 2022 heeft verweerder bepaald dat eiseres hierop geen recht heeft.
1.1.
Met het bestreden besluit van 23 februari 2023 is verweerder bij dat besluit gebleven. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Op 8 april 2023 heeft eiseres aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft daarop gereageerd op 3 juli 2023 met een aanvullend verweerschrift.
1.4.
Eiseres heeft in reactie op het aanvullend verweerschrift op 11 augustus 2023 aanvullende gronden en medische stukken ingediend.
1.5.
Op 9 oktober 2023 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 19 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiseres is werkzaam geweest als begeleider gehandicaptenzorg en is voor dit werk uitgevallen op 20 juni 2019, waarna aan haar een ZW [2] -uitkering is toegekend. Deze uitkering is bij beslissing van 13 april 2021 beëindigd. Op 12 april 2021 heeft zij een WIA-uitkering aangevraagd, die bij beslissing van 13 april 2021 is afgewezen, omdat eiseres voor haar aanvraag niet 104 weken recht heeft gehad op een ZW-uitkering. Nadat eiseres tegen deze beslissing bezwaar had gemaakt, heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 10 maart 2022 opnieuw onderzoek verricht en de mogelijkheden en beperkingen van eiseres vastgelegd in een FML [3] van 10 maart 2022. In een rapportage van 29 maart 2022 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek verricht en geconcludeerd dat eiseres met passende arbeid minder dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Dat betekent dat eiseres alsnog wel recht heeft op een ZW-uitkering. Op 16 juni 2021 heeft zij de wachttijd van 104 weken volgemaakt.
Ten aanzien van de WIA-beoordeling heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 29 maart 2022 toegelicht dat eiseres haar eigen arbeid niet kan verrichten en hij heeft met de mogelijkheden en beperkingen uit de FML van 10 maart 2022 passende functies geselecteerd. Hiermee kan eiseres 0% minder verdienen dan het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd en daarmee is zij voor de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt. Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen.
3. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapportage van 14 februari 2023 toegelicht dat geen aanleiding bestaat om meer beperkingen vast te stellen, omdat daarvoor op basis van het medisch dossier onvoldoende grond is. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep opnieuw onderzoek verricht en in een rapportage van 20 februari 2023 toegelicht dat de eerder geselecteerde functies nog steeds geschikt zijn, gelet op de mogelijkheden en beperkingen van eiseres. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
Het beroep van eiseres
4. In beroep voert eiseres aan dat zij meer beperkt is dan verweerder heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte geconcludeerd dat de psychische klachten goed behandelbaar zijn en daarom niet hoeven te worden meegewogen. Eiseres heeft een traumatisch verleden, is onder behandeling geweest bij de GGZ en heeft therapieën gevolgd bij PsyQ die niet het gewenste resultaat hebben gehad. Eiseres is inmiddels aangemeld bij Indigo voor zorg vanwege chronische psychische klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ten onrechte geen rekening gehouden met (en onvoldoende beperkingen vastgesteld voor) de stemmingsklachten, depressie, traumatisch verleden en PTSS. Het onderzoek is daarom niet zorgvuldig verricht en het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd.
Het verweer
5. In het verweerschrift voert verweerder aan geen aanleiding te zien om het standpunt te wijzigen, onder verwijzing naar een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 juni 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat een traumatisch verleden op zichzelf geen reden vormt voor het aannemen van beperkingen en dat in de eerdere rapportages nergens wordt gesteld dat bepaalde klachten niet zijn meegewogen. Er wordt alleen gesteld dat uitgegaan wordt van de DSM-classificatie ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis’ en niet van de DSM-classificaties ‘depressieve stoornis’ of' ‘PTSS’, omdat ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis’ de enige DSM-classificatie is die door behandelaren is beschreven.
Reactie van eiseres op het verweerschrift
6. Eiseres voert aan dat zij op 19 oktober 2020 is begonnen met psychodynamische groepstherapie. De psychotherapeut geeft aan dat eiseres langdurig is opgenomen vanwege een depressie met suïcidaliteit en automutilatie, maar dat sinds de start van de medicatie venlaxafine de stemming licht is verbeterd. De stemmingsklachten zijn echter nog altijd aanwezig. Eiseres is in het verleden opgenomen geweest en heeft in 2013 de diagnose ‘depressieve stoornis NAO’ gekregen, en in 2014 de diagnose ‘PTSS’. De klachten van eiseres zijn chronisch en zij krijgt 265,5 mg venlaxafine per dag voorgeschreven, en die dosering komt overeen met een dosering bij depressie. Er dienen meer beperkingen te worden vastgesteld in de rubrieken 1 en 2 van de FML, onder 1.1, 1.2, en 2.6 tot en met 2.8.
Ten aanzien van de geselecteerde functies betoogt eiseres dat zij deze functies niet kan verrichten, omdat haar belastbaarheid wordt overschreden voor persoonlijk risico door geluidspieken en het gebruik van noise cancelling is in strijd met punt 1.8.6 van de FML. Verder is bij de functie productiemedewerker confectie sprake van prik- en snijdgevaar door naalden, waardoor een risico op verwondingen bestaat. Eiseres is bovendien niet in staat om een voorgeschreven Engelstalige opleiding af te ronden, omdat zij matig Engels spreekt.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank moet beoordelen of verweerder terecht heeft bepaald dat eiseres vanaf 17 juni 2021 (de datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De relevante wetgeving is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
8. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op een anamnese, dossierstudie, wat in bezwaar en op de hoorzitting van 14 februari 2023 is aangevoerd, als ook op daarop aansluitend medisch onderzoek. Het medisch onderzoek heeft daarmee op zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
9. In de rapportage van 14 februari 2023 heeft de verzekeringsarts op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat bij eiseres weliswaar in 2013 een depressieve stoornis, laag zelfbeeld, traumatische ervaringen en PTSS zijn vastgesteld, maar dat dit jaren voor de datum in geding is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van de door de behandelend sector vastgestelde DSM-classificaties en in het geval van eiseres heeft de psychotherapeut op 4 oktober 2021 de diagnose “andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis” vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder afdoende toegelicht dat mocht worden uitgegaan van deze diagnose, nu de andere door eiseres genoemde diagnoses geen betrekking hebben op de datum in geding. Dat betekent niet dat geen rekening is gehouden met de psychische problematiek van eiseres. De rechtbank overweegt hierbij dat het bij het vaststellen van de mogelijkheden en beperkingen in de FML niet gaat om de ervaren beperkingen, maar wat op medisch gebied objectief kan worden vastgesteld (geobjectiveerd). Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 10 maart 2022 gemotiveerd uiteengezet dat bij het vaststellen van de FML rekening is gehouden met het venlafaxinegebruik van eiseres en het feit dat zij sinds 19 oktober 2020 onder behandeling is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet is gebleken dat bepaalde klachten van eiseres niet zijn meegewogen. Eiseres heeft met de nader ingediende medische informatie niet aannemelijk gemaakt dat verweerders verzekeringsartsen een onjuist beeld hebben gehad van de medische situatie van eiseres op de datum in geding.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd waarom geen aanvullende beperkingen kunnen worden vastgesteld voor eiseres. Het is verder niet gebleken dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Deze gronden slagen dus niet.
10. Over de grond dat eiseres de geselecteerde functies niet kan verrichten overweegt de rechtbank het volgende. In de resultaat functiebeoordeling van 29 maart 2022 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat ondanks de signalering bij het punt ‘persoonlijk risico’, de belastbaarheid van eiseres niet wordt overschreden. Eiseres is beperkt voor het werken met machines of gereedschap met een verwondingsrisico en het werken bij hitte of open vuur. Ten aanzien van harde geluiden heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de resultaat functiebeoordeling inzichtelijk toegelicht dat bij de functies productiemedewerker industrie en assemblagemedewerker elektrotechnische producten weliswaar een signalering is bij de beperking ‘afleiding door anderen’, maar dat bij beide functies geen sprake is van harde geluiden of geluiden door elkaar en is het gebruik van noise cancelling mogelijk. Bij de laatstgenoemde functie is enig rumoer afkomstig van de machines (minder dan 80 dBA) en het werk heeft een individualistisch karakter. Daarom is het mogelijk om gebruik te maken van noise cancelling. Het is de rechtbank niet gebleken dat het gebruik van noise cancelling een overschrijding van eiseres voor de beperking op persoonlijk risico oplevert, nu die beperking niet ziet op geluidsoverlast.
Voor wat betreft het verwondingsrisico bij de functie productiemedewerker confectie overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres is in de FML onder meer beperkt op punt 1.8.6 in de FML, met de volgende toelichting: “ De klant kan niet op hoogtes werken. De klant kan niet werken bij of met machines of gereedschap met verwondingrisico. De klant kan niet werken bij open water. De klant kan niet werken bij hitte/open vuur.”
Uit de resultaat functiebeoordeling van 29 maart 2022 blijkt dat bij de functie Productiemedewerker confectie een signalering is opgenomen bij beperking 1.8.6 uit de FML (persoonlijk risico), omdat bij het lostrekken van draad in de vingers kan worden gesneden. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van eiseres niet wordt overschreden, met als toelichting dat de signalering bij 1.8 is veroorzaakt door een ander aspect dan waarvoor de verzekeringsarts de beperking heeft aangenomen, omdat er geen sprake is van verwondingsrisico, open water of vuur. In beroep heeft verweerder onder verwijzing naar een mailwisseling tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een afdoende aanvullende motivering hierop gegeven en toegelicht dat met het lostrekken van de naald geen sprake is van een relevant verwondingsrisico zoals bedoeld in punt 1.8.6 van de FML.
De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom bij de functie productiemedewerker confectie geen overschrijding is van de belastbaarheid van eiseres voor verwondingsrisico en dat deze motivering pas in beroep afdoende is gegeven. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb te passeren, omdat eiseres niet is benadeeld. De uitkomst was met de in beroep gegeven aanvullende motivering immers niet anders geweest.
Conclusie en gevolgen
11. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de functionele mogelijkheden van eiseres correct heeft vastgesteld en dat zij passende arbeid kan verrichten. Met deze arbeid kan eiseres 0% minder verdienen dan het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat eiseres vanaf 17 juni 2021 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres niet in het gelijk gesteld wordt en het bestreden besluit in stand blijft.
13. Het onder 10 geconstateerde motiveringsgebrek leidt er wel toe dat de rechtbank verweerder zal veroordelen in de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt de kosten van eiseres voor de rechtsbijstand van haar gemachtigde vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
14. De rechtbank bepaalt tot slot dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht (van € 50,-) aan haar moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor het beroep relevante bepalingen uit de Wet WIA
Op grond van artikel 4 vanPro de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Op grond van artikel 5 vanPro de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.