ECLI:NL:RBROT:2023:10451

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 augustus 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
11-510023-09 / raadkamernummer 23-010392
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beslissing RC
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:25 SvArt. 6:4:4 SvArt. 6:4:5 SvArt. 6:4:6 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering machtiging gijzeling wegens betalingsonmacht veroordeelde

De rechtbank Rotterdam behandelde op 23 augustus 2023 de vordering van het Openbaar Ministerie tot machtiging van gijzeling tegen de veroordeelde wegens niet-nakoming van een ontnemingsmaatregel van €147.886,25, opgelegd bij vonnis van 29 oktober 2015. Tot op dat moment had de veroordeelde slechts €1.235,60 betaald.

Het Openbaar Ministerie stelde dat de veroordeelde betalingsonwil vertoonde, onderbouwd met ongebruikelijke transacties van €32.869,- die op zijn bankrekening waren geregistreerd. De veroordeelde betoogde daarentegen dat hij sinds 2016 leeft van een bijstandsuitkering en dat hij als katvanger is gebruikt bij de genoemde transacties, waarvoor hij geen bewijs kon overleggen vanwege geblokkeerde rekeningen en financiële beperkingen.

Op de terechtzitting werden diverse stukken overgelegd, waaronder verklaringen en bankafschriften, die de stelling van de veroordeelde ondersteunden. De officier van justitie concludeerde dat er sprake was van betalingsonmacht in plaats van onwil. De rechtbank volgde dit standpunt en oordeelde dat de veroordeelde aannemelijk heeft gemaakt niet in staat te zijn tot betaling.

De vordering tot machtiging gijzeling werd daarom afgewezen, met het dringende advies aan de veroordeelde om het resterende bedrag te voldoen zodra hij daartoe in staat is. De betalingsverplichting blijft onverminderd bestaan.

Uitkomst: De vordering tot machtiging gijzeling wordt afgewezen wegens aannemelijke betalingsonmacht van de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummer : 11-510023-09
raadkamernummer : 23-010392
datum : 23 augustus 2023
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken op de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak van:

[veroordeelde01] ,

geboren op [geboortedatum01] 1983 te [geboorteplaats01] (Togo),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres01] , [postcode01] te [woonplaats01] ,
advocaat mr. J.M.C. Wessels, advocaat te Zwijndrecht,
hierna te noemen: de veroordeelde.

Feiten

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan de veroordeelde bij vonnis van 29 oktober 2015 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 147.886,25.
Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
De veroordeelde heeft tot 24 april 2023, zijnde de datum van indiening van de vordering, een bedrag van € 1.235,60 betaald.

Procedure

De vordering is op 24 april 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 23 augustus 2023 de vordering op de openbare terechtzitting behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn advocaat, mr. J.M.C. Wessels en de officier van justitie mr. M.A. van Rijswijk op zitting gehoord.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen.
In de vordering is het volgende aangevoerd. De veroordeelde is een betalingsregeling toegekend, maar daaraan heeft hij niet voldaan. De veroordeelde heeft zelf geen reëel betalingsvoorstel gedaan. Ondanks dat het CJIB de veroordeelde meerdere mogelijkheden heeft geboden om het bedrag te voldoen, heeft hij slechts een klein deel van het verschuldigde bedrag betaald. Dit terwijl hij, blijkens de bij het CJIB gemelde ongebruikelijke transacties van in totaal € 32.869,-, wel over financiële middelen beschikte. Gelet op het voorgaande is sprake van betalingsonwil.

Standpunt van de veroordeelde

Door en namens de veroordeelde is bepleit de vordering af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat de veroordeelde niet in staat is te betalen. Hij leeft sinds 2016 van een bijstandsuitkering. Het reeds betaalde bedrag van € 1.235,60 is betaald in het kader van de minnelijke schuldsanering natuurlijke personen waar hij van 2017 tot en met 2020 in heeft gezeten. Met betrekking tot de grote geldbedragen die volgens het CJIB vanaf zijn bankrekening zijn overgeboekt, heeft de veroordeelde aan het CJIB bericht dat hij daarbij als katvanger is gebruikt. Hij kon hiervan geen bewijs overleggen omdat hij geen geld had voor het opvragen van een uittreksel van de bankafschriften van deze rekening, die geblokkeerd is.
De advocaat heeft op de terechtzitting een aantal stukken overgelegd, waaronder een verklaring van mevrouw [naam01] , de medeverdachte in de ‘katvangerszaak’, bankafschriften van de zakelijke rekening van haar toenmalige bedrijf en een bankafschrift van één rekening van de veroordeelde die hij nog wel had. Aangevoerd is dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de door de veroordeelde overgemaakte grote geldbedragen (in ieder geval de geldbedragen die hij in 2018 en 2020 heeft overgemaakt) niet van hemzelf waren. Mevrouw [naam01] heeft deze geldbedragen overgemaakt naar zijn rekening en hij heeft deze kort daarna gelijk doorgeboekt. Hij is hierbij als katvanger gebruikt.

Standpunt van de officier van justitie op de terechtzitting

Op de terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de overgelegde stukken en de daarop gegeven toelichting, aannemelijk is geworden dat bij de veroordeelde geen sprake is van betalingsonwil, maar betalingsonmacht. Daarom heeft hij geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

Beoordeling

Op grond van artikel 6:6:25, eerste lid, Sv kan het openbaar ministerie de rechtbank verzoeken om te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen tegen een veroordeelde indien hij niet aan de aan de hem opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op grond van de artikelen 6:4:4 tot en met 6:4:6 Sv op diens vermogen niet mogelijk is gebleken.
Vast staat dat de veroordeelde niet (volledig) heeft voldaan aan de betalingsverplichting. Hij heeft slechts een klein deel betaald. Een bedrag van € 146.650,65 moet nog betaald worden. Verder is verhaal op grond van de artikelen 6:4:4 tot en met 6:4:6 Sv – voor zover blijkt uit de vordering – niet mogelijk gebleken.
Op grond van artikel 6:6:25, zesde lid, Sv wordt een veroordeelde niet onderworpen aan gijzeling indien hij aannemelijk maakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de
verplichting tot betaling, oftewel dat sprake is van betalingsonmacht.
De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat op basis van het verhandelde op de terechtzitting en de overgelegde stukken aannemelijk is geworden dat hiervan sprake is. De vordering van de officier van justitie zal daarom worden afgewezen.
De rechtbank wijst de veroordeelde erop dat de verplichting om het resterende deel van het ontnemingsbedrag te betalen wel blijft bestaan en geeft hem daarom het dringende advies om zodra hij hiertoe in staat is, wel datgene af te betalen wat hij kan missen.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en H. Wielhouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2023.
De voorzitter is niet in staat om deze beslissing mede te ondertekenen.