De vrouw verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van haar minderjarige kind bij haar vast te stellen en om de man te veroordelen tot betaling van de helft van het kindgebonden budget en de kinderbijslag. Tijdens de mondelinge behandeling trok de vrouw haar verzoek tot wijziging van de zorgregeling in, waardoor dit verzoek werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats een ingrijpende maatregel is die alleen kan worden toegewezen indien de huidige verblijfplaats een directe bedreiging vormt voor de gezonde ontwikkeling van het kind. Er waren geen feiten of omstandigheden die dat aannemelijk maakten. Het kind woont sinds de geboorte bij de man, die voor het kind zorgt en een stabiele omgeving biedt. De vrouw wilde een wijziging die vooral administratief van aard leek, wat onvoldoende is.
Het verzoek tot betaling van de helft van het kindgebonden budget en de kinderbijslag werd afgewezen omdat dit een geldvordering betreft die bij dagvaarding moet worden ingeleid en niet via een verzoekschrift. De vrouw kon geen grondslag vinden in het toepasselijke artikel 1:253a BW voor deze vordering. Ook een subsidiair verzoek om vervangende toestemming voor uitbetaling aan beiden werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van noodzaak.
De rechtbank bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt. Tegen deze beschikking kan binnen drie maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.