ECLI:NL:RBROT:2023:1053
Rechtbank Rotterdam
- Beslissing RC
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot inbewaringstelling wegens recidive op haventerrein
De rechtbank Rotterdam behandelde het hoger beroep van de officier van justitie tegen de afwijzing van een vordering tot inbewaringstelling van de verdachte. De rechter-commissaris had deze vordering eerder afgewezen, maar de rechtbank oordeelde anders.
De verdachte wordt verdacht van het illegaal betreden van een haventerrein, strafbaar gesteld in art. 138aa Sr. Dit artikel is ingevoerd om de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit te versterken, met een verhoogde strafmaat ten opzichte van eerdere bepalingen zoals art. 461 Sr Pro. De verdachte is geen first offender; hij is eerder onder soortgelijke omstandigheden op een haventerrein aangetroffen en kreeg daarvoor een boete en een gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd.
De rechtbank concludeert dat er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan en dat er sprake is van recidivegevaar zoals bedoeld in art. 67a lid 2 onder 2 Sv. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de vordering tot inbewaringstelling voor veertien dagen. De persoonlijke belangen van de verdachte wegen niet zwaarder dan het strafvorderlijk belang, mede omdat de verzorging door anderen kan worden geregeld.
De rechtbank vernietigt daarmee de beschikking van de rechter-commissaris en beveelt alsnog de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Uitkomst: De rechtbank wijst het hoger beroep toe en beveelt de inbewaringstelling van de verdachte voor veertien dagen wegens recidive op een haventerrein.