Verzoekers dienden een verzoek in tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet, waarbij één schuldeiser, [schuldeiser], niet instemde met het aangeboden akkoord. Het akkoord voorzag in een betaling van 73,47% aan preferente en 36,73% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoekers, beiden met vaste arbeidscontracten. Acht schuldeisers gingen akkoord, maar [schuldeiser] weigerde vanwege onvoldoende financieel transparantie en het niet meenemen van de overwaarde van de koopwoning.
De rechtbank oordeelde dat het aanbod niet controleerbaar en transparant was, omdat belangrijke vermogensbestanddelen zoals de overwaarde van de koopwoning en het tegoed op een toekomstspaarrekening niet in het akkoord waren verwerkt. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat het aanbod het maximaal haalbare was. De belangen van [schuldeiser] als weigerende schuldeiser wogen zwaarder dan die van verzoekers en overige schuldeisers.
Daarom werd het verzoek tot het bevelen van instemming met de schuldregeling afgewezen. Een afzonderlijke beslissing over het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal volgen.