Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers waarbij een percentage van de totale schuldenlast wordt betaald tegen finale kwijting, gebaseerd op zijn afloscapaciteit en een saneringskrediet. Een ruime meerderheid van de schuldeisers stemde in met deze regeling, maar ING Bank en DirectPay weigerden hun instemming.
De rechtbank beoordeelde of deze weigering redelijk was, waarbij werd meegewogen dat de vorderingen van ING en DirectPay slechts 11,3% van de totale schuldenlast uitmaken en dat het voorstel door een onafhankelijke partij was getoetst. Ook werd vastgesteld dat verzoeker een stabiel inkomen heeft en budgetbeheer zal worden opgestart ter vervanging van beschermingsbewind.
De rechtbank concludeerde dat het aangeboden akkoord het uiterste is wat verzoeker kan bieden en dat het akkoord een gunstiger resultaat oplevert voor de schuldeisers dan de wettelijke schuldsaneringsregeling, die bovendien korter duurt en hogere kosten met zich meebrengt.
Daarom werd het verzoek tot dwangakkoord toegewezen en ING en DirectPay bevolen in te stemmen met de schuldregeling. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De kosten van de procedure werden aan de zijde van verzoeker op nihil begroot.