ECLI:NL:RBROT:2023:10633
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen beslissing OM tot weigering voorwaardelijke invrijheidstelling ongegrond verklaard
De veroordeelde is bij vonnis van 10 november 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. Op grond van artikel 6:2:10 Sv Pro kon hij op 29 augustus 2023 in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie besloot op 12 juli 2023 deze invrijheidstelling niet te verlenen, waarop de veroordeelde bezwaar maakte.
De veroordeelde voerde aan dat het OM niet in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen, mede omdat de reclassering positief adviseerde en de directeur van de Penitentiaire Inrichting uitstel van zes maanden bepleitte. Hij ontkende de verdenking van nieuwe strafbare feiten tijdens het penitentiair programma en stelde dat hij goed gedrag vertoonde en een duidelijk plan had voor terugkeer in de samenleving.
Het OM stelde dat de verdenking van nieuwe strafbare feiten, waarvoor ernstige bezwaren bestaan, zwaarder weegt dan het goede gedrag binnen de inrichting. De rechtbank voerde een marginale toets uit en concludeerde dat het OM in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen, mede omdat de verdenking een substantiële rol toeschrijft aan de veroordeelde en het goede gedrag kennelijk niet volgehouden kan worden tijdens vrijheden.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees erop dat de veroordeelde na zes maanden opnieuw een verzoek kan indienen. De beslissing werd op 25 augustus 2023 openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van het OM tot het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.