ECLI:NL:RBROT:2023:10638

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 oktober 2023
Publicatiedatum
15 november 2023
Zaaknummer
C/10/665054 / JE RK 23-2124
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarigen in pleeggezin

De gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen, geboren in 2019 en 2020, die momenteel in een netwerkpleeggezin verblijven. De moeder stemde in met het verzoek, mits zij eerst kon settelen in haar nieuwe woning. De vader gaf aan het contact met zijn kinderen te missen en wil het contact herstellen, ondanks eerdere spanningen.

De kinderrechter constateerde dat de wettelijke criteria van artikel 1:255 BW Pro zijn vervuld en dat terugplaatsing bij de moeder nog niet mogelijk is. Er is behoefte aan een geleidelijke opbouw van contact tussen de vader en de kinderen, waarbij de advocaat van de vader ondersteuning zal bieden. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden daarom verlengd tot 2 november 2024.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en partijen kunnen binnen drie maanden in hoger beroep gaan bij het gerechtshof te Den Haag. De zitting vond plaats met gesloten deuren op 24 oktober 2023, waarna de beschikking op 7 november 2023 schriftelijk is vastgelegd.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen worden verlengd tot 2 november 2024.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/665054 / JE RK 23-2124
Datum uitspraak: 24 oktober 2023
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige01],
geboren op [geboortedatum01] 2019 in [geboorteplaats01] [geboorteland01] , hierna te noemen [voornaam minderjarige01] ,
[minderjarige02],
geboren op [geboortedatum02] 2020 in [geboorteplaats02] , hierna te noemen [voornaam minderjarige02] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder01],
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. E.A. Hoogendijk te Rotterdam,
[vader01],
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats01] ,
advocaat mr. A.R.H. Baas te Groningen.
de pleegouders
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
  • het verzoekschrift van 29 augustus 2023 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 6 september 2023;
  • een e-mailbericht van de GI van 2 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • een e-mailbericht van de advocaat van de moeder van 11 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • een brief van de pleegouders van 13 oktober 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 17 oktober 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2023. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met mr. A.R.H. Baas, bijgestaan door een tolk;
- de moeder met mr. E.A. Hoogendijk via videoverbinding en op locatie bijgestaan door een tolk;
- een vertegenwoordigster van de GI, te weten mw. [naam01] .
De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] .
2.2.
[voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 oktober 2022 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] verlengd tot 2 november 2023 en de machtiging om [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 2 november 2023.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van twaalf maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.1.
Ter zitting heeft de GI het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Op dit moment verblijven [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] in een netwerkpleeggezin, waar het goed met ze gaat. In het weekend gaan [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] naar de moeder toe. De omgang verloopt goed. Moeder moet haar draai zien te vinden en haar nieuwe woning, en daarna zal er worden teruggewerkt naar een thuisplaatsing bij de moeder.

4.De standpunten

4.1.
Ter zitting is door en namens de moeder is ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder wil, alvorens er wordt teruggewerkt aan een thuisplaatsing, zich settelen in de nieuwe woning. Op dit moment verblijven de kinderen in het weekend bij de moeder. Dit gaat goed. De moeder staat open voor contactherstel tussen de kinderen en de vader. Voorop staat dat dit wel veilig moet gebeuren.
4.2.
Ter zitting is door en namens de vader het volgende aangevoerd. De vader refereert zich aan het oordeel van de kinderrechter. De afgelopen periode is er geen contact geweest tussen [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] en de vader. Hij mist [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] enorm. De vader vindt het jammer dat [voornaam minderjarige02] hem niet meer herkent. Ook zou de vader graag zien dat [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] opgroeien samen met hun broer Ido, die elders verblijft. Bij het op gang brengen van de omgang lijkt ook sprake geweest te zijn van miscommunicatie, maar de advocaat zal de komende periode trachten het contact tussen de GI en de vader waar nodig te begeleiden.
De vader zou de moeder eerder dit jaar nog hebben bedreigd, maar het OM heeft laten weten dat de zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De afgelopen periode is een bewogen periode geweest voor [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] . De moeder heeft een eigen woning gekregen nadat zij geruime tijd in de vrouwenopvang heeft verbleven. Op dit moment is een terugplaatsing bij de moeder nog niet mogelijk. Ook heeft de moeder aangegeven dat zij dit nog niet wil. Alvorens er wordt teruggewerkt naar een thuisplaatsing dient de woning in orde te zijn en de moeder uitgerust. De komende periode is het van belang dat er wordt gewerkt aan contactherstel tussen de vader en [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] . Zowel de GI als de ouders dienen hierin een actieve houding te hebben. Het is van belang dat dit contact op een goede en juist tempo wordt opgebouwd. Om dit in goede banen te laten verlopen is het prettig dat de advocaat van vader heeft aangeboden hierin te ondersteunen en waar nodig te bemiddelen.
5.3.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] tot 2 november 2024;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] en [voornaam minderjarige02] in een pleeggezin tot 2 november 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2023 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 7 november 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.