In deze civiele procedure tussen een vader en zijn dochter eist de vader betaling van een lening, huurachterstand, reparatie- en schoonmaakkosten en opslagkosten. De dochter erkent een deel van de schuld, maar betwist overige vorderingen en vordert in reconventie de afgifte van haar persoonlijke eigendommen.
De rechtbank oordeelt dat de dagvaarding net voldoet aan de eisen en wijst de vordering van de vader gedeeltelijk toe: de dochter moet €3.375,00 betalen, bestaande uit een erkende lening en huurachterstanden. De overige vorderingen, waaronder reparatiekosten en incassokosten, worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en onjuiste incassobrief.
De rechtbank verwerpt het beroep van de vader op retentierecht en veroordeelt hem de spullen van de dochter binnen twee weken af te geven, met een dwangsom bij niet-naleving. Proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierelatie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.