Eiseres betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning in Rotterdam, stellende dat deze te hoog was vastgesteld op € 315.000,- en dat het bestreden besluit onbevoegd was genomen. Verweerder stelde dat de waarde correct was vastgesteld en onderbouwde dit met een taxatierapport en een waardematrix, waarbij vergelijkingsobjecten in dezelfde straat werden gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit bevoegd was genomen door de directeur Belastingen, die als heffingsambtenaar was aangewezen. De door verweerder gebruikte bewijsvoering werd als voldoende en zorgvuldig beoordeeld, waarbij rekening was gehouden met verschillen in onderhoud en voorzieningen. De verschillen tussen de WOZ-waarde van eiseres en verweerder vielen binnen een redelijke bandbreedte.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en acht maanden, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat eiseres geen financieel belang had bij de aanslag afvalstoffenheffing, die niet afhankelijk is van de WOZ-waarde. Ook de belanghebbende werd geen vergoeding toegekend vanwege het ontbreken van bewijs van spanning en frustratie.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om vergoeding afgewezen en de proceskosten werden niet aan eiseres of belanghebbende toegekend.