ECLI:NL:RBROT:2023:10826
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing in ondertoezichtstelling
De moeder verzocht de kinderrechter om de schriftelijke aanwijzing, gegeven door de gecertificeerde instelling (GI) over de verzorging en opvoeding van haar drie minderjarige kinderen, geheel te laten vervallen. De schriftelijke aanwijzing bevatte afspraken over de omgang tussen de vader en de kinderen, communicatie tussen ouders en deelname aan hulpverlening.
Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij de vader niet aanwezig was, stelde de moeder dat zij onterecht een schriftelijke aanwijzing had gekregen omdat zij volgens haar wel meewerkt, in tegenstelling tot de vader. De GI voerde verweer en stelde dat zowel moeder als vader afspraken niet zijn nagekomen, waaronder het stopzetten van omgang en het niet meewerken aan de intake bij het Centrum voor Gezinsbehandeling (CGB).
De kinderrechter overwoog dat de schriftelijke aanwijzing een bestuursrechtelijk besluit is en toetste of de moeder voldoende gronden had aangevoerd om het besluit te laten vervallen. Dit was niet het geval, en ook was niet gebleken dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen of onvoldoende gemotiveerd was. De kinderrechter vond het terecht dat de schriftelijke aanwijzing aan beide ouders was gegeven, gezien het niet vlekkeloos naleven van afspraken door beiden.
Daarom wees de kinderrechter het verzoek van de moeder af en handhaafde de schriftelijke aanwijzing zoals deze was vastgesteld.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing te laten vervallen is afgewezen.