ECLI:NL:RBROT:2023:1086

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 februari 2023
Publicatiedatum
16 februari 2023
Zaaknummer
ROT 22/5276
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbParagraaf 4.1.3.2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet tijdig beslissen over herbeoordeling recht op kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft op 8 maart 2021 een verzoek ingediend voor herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag bij verweerder. Na het uitblijven van een beslissing heeft zij op 14 maart 2022 verweerder in gebreke gesteld. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek.

De rechtbank constateert dat verweerder in verzuim is en ondanks ingebrekestelling niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Verweerder heeft wel een dwangsombesluit genomen, maar nog geen inhoudelijke beslissing gegeven. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na deze uitspraak alsnog moet beslissen, en legt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 op bij overschrijding.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing en omdat het een vorm van compensatie betreft die niet toewijsbaar is. De rechtbank vergoedt het betaalde griffierecht aan eiseres en veroordeelt verweerder in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.C. Rop op 24 februari 2023.

Uitkomst: Verweerder moet binnen twee weken alsnog beslissen en een dwangsom betalen; schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5276
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2023 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], eiseres,

gemachtigde: mr. C.F.M. van den Ekart,
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 8 maart 2021 bij verweerder een verzoek gedaan om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag.
Op 14 maart 2022 heeft verweerder een ingebrekestelling door eiseres ontvangen.
Bij brief van 2 november 2022 (ontvangen op 7 november 2022) heeft eiseres beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar verzoek, waarbij eiseres de rechtbank heeft verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen en verweerder op te dragen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een beslissing te nemen.
Verweerder heeft op 22 november 2022 een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
2. Eiseres heeft kinderopvangtoeslag ontvangen en zij heeft zich gemeld voor een herbeoordeling van haar recht daarop. Verweerder heeft dit verzoek in behandeling genomen. Uit de stukken blijkt niet op verweerder de beslistermijn van zes maanden heeft verlengd. Hoe dan ook was verweerder ten tijde van de ingebrekestelling in verzuim.
3. Eiseres heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken voorbij gegaan. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het verzoek.
4. De dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is in deze zaak van toepassing. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat inmiddels een dwangsombesluit is genomen.
5. Omdat verweerder nog geen besluit op het verzoek heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. Verweerder heeft op grond van het derde lid van artikel 8:55d, van de Awb, gemotiveerd verzocht om een langere termijn, namelijk 13 weken.
6. De rechtbank is van oordeel dat een termijn recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
In dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden om van de standaardtermijn van twee weken af te wijken. In algemene zin geldt dat verweerder een veel groter aantal aanvragen voor herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan was voorzien. Dat geldt ook voor het aantal bezwaren. Deze aanvragen en bezwaarschriften moeten allemaal zorgvuldig worden beoordeeld.
Dit heeft tot gevolg gehad dat het verzoek om herbeoordeling van eiseres nog niet is afgehandeld. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een beslistermijn van 12 weken, die is gaan lopen na de indiening van het verweerschrift. Omdat die termijn inmiddels is verstreken, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen 2 weken na de verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing moet nemen op het verzoek van eiseres. Die termijn komt overeen met de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde standaardtermijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar op grond van het derde lid van af te wijken. Verweerder was zich er op het moment van het indienen van het verweerschrift van bewust dat hij de beslistermijn had overschreden en had de procedure zoals omschreven in het verweerschrift toen al kunnen starten. Hij heeft daarmee niet hoeven wachten op deze uitspraak.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de termijn van twee weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder verder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 418,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.
10. De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af. Niet alleen ontbreekt enige onderbouwing van dit verzoek, maar voorts is de aanvraag aan verweerder gericht op een vorm van compensatie voor geleden schade.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor het gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen 2 weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak
alsnog een besluit te nemen op het verzoek van eiseres;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag
waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 februari 2023.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.