De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de moeder met eenhoofdig gezag met de minderjarige naar Spanje was verhuisd zonder instemming van de vader. De vader verzocht om gezamenlijk gezag, terugverhuizing van de minderjarige naar Nederland, wijziging van de hoofdverblijfplaats en aanpassing van de zorg- en omgangsregeling.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van het verzoek nog in Nederland was. De rechtbank oordeelde dat de ouders gezamenlijk gezag kunnen uitoefenen omdat zij in staat zijn tot behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en er geen contra-indicaties zijn.
De rechtbank oordeelde dat de moeder de verhuizing zonder toestemming mocht doen vanwege het eenhoofdig gezag, maar onvoldoende heeft voldaan aan haar verplichting om omgang tussen vader en kind te bevorderen. Daarom werd de terugverhuizing naar Nederland toegewezen, met een termijn tot uiterlijk de Spaanse aprilvakantie 2023. Tot die tijd blijft de bestaande omgangsregeling via beeldbellen van kracht.
De hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader werd afgewezen omdat de moeder hoofdverzorger is en de terugverhuizing is toegewezen. Na terugkeer wordt de zorgregeling vastgesteld conform de eerdere omgangsregeling, met omgang in weekenden, woensdagen en vakanties. De proceskosten worden door partijen zelf gedragen.