Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 20 december 2022. Verzoekster kampt met schuldenproblematiek die is ontstaan na een auto-ongeluk, waardoor zij tijdelijk minder inkomsten had. Zij staat inmiddels onder beschermingsbewind en ontvangt een Participatiewet-uitkering, waarmee zij voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen te betalen.
Verweerster, de verhuurder, verzet zich niet tegen het verzoek, maar stelt dat de voorziening alleen mag gelden zolang de lopende termijnen tijdig worden voldaan. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming op korte termijn zou plaatsvinden. De belangenafweging tussen verzoekster en verweerster leidt tot toewijzing van de voorlopige voorziening voor zes maanden, met de voorwaarde dat de huurtermijnen worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. De voorziening wordt toegekend met een verplichting tot verslaglegging door schuldhulpverlening twee weken voor afloop van de termijn.