ECLI:NL:RBROT:2023:11224

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 augustus 2023
Publicatiedatum
1 december 2023
Zaaknummer
FT EA 23/589 en FT EA 23/590
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium tegen ontruiming huurwoning

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 20 januari 2023 waarin ontruiming is bevolen. Verzoeker verklaarde dat hij door miscommunicatie tussen de IND en gemeente een jaar lang geen Participatiewet-uitkering ontving en daardoor niet in staat was de huur te betalen, hoewel hij de steun van derden heeft terugbetaald. Inmiddels ontvangt hij een PW-uitkering en huurtoeslag, waardoor hij de huurtermijnen kan voldoen.

Verweerster, de verhuurder, stelde dat er sprake is van een huurachterstand en dat verzoeker zich niet aan betalingsregelingen hield. Ter zitting werd bevestigd dat de huur voor juli en augustus 2023 wel tijdig is betaald. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een bedreigende situatie door de geplande ontruiming en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank kende daarom een voorlopige voorziening toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal worden afgerond. De voorziening wordt verlengd indien nodig en SHV zal verslag uitbrengen over de uitvoering van de schuldregeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde van tijdige betaling van huurtermijnen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer01] – [nummer02]
uitspraakdatum: 17 augustus 2023
[verzoeker01],
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 20 juni 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 20 juni 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 augustus 2023.
Ter zitting van 10 augustus 2023 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • de heer [naam01] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: SHV);
  • de heer mr. [naam02] , werkzaam bij Flanderijn, gemachtigde namens Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De heer [naam02] heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 17 augustus 2023.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij – als gevolg van miscommunicatie tussen de IND en de gemeente – gedurende één jaar geen Participatiewet (PW)-uitkering heeft ontvangen. Verzoeker heeft aangegeven dat hij tijdens die periode genoodzaakt was om financiële steun van anderen te verkrijgen om in zijn kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Verzoeker heeft met terugwerkende kracht alsnog de PW-uitkering ontvangen, maar heeft daarmee degenen die hij om financiële steun had verzocht terugbetaald, en niet zijn verhuurder. Verder kon verzoeker de huur niet betalen omdat verzoeker nog geen huurtoeslag kreeg. Op dit moment ontvangt verzoeker zowel een PW-uitkering als huurtoeslag, waardoor hij de lopende huurtermijnen kan voldoen. Zo snel als mogelijk zal SHV voor verzoeker budgetbeheer opstarten.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij heeft gesteld dat de lopende termijnen niet volledig en tijdig betaald worden en dat de huidige huurachterstand € 2.842,- bedraagt. In het vonnis van 20 januari 2023 is een maandelijkse betalingsregeling vastgelegd. Verzoeker heeft zich niet aan deze noch aan een latere betalingsregeling gehouden en heeft ook geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Toewijzing van het verzoek zou ten aanzien van Woonbron onredelijk zijn. Daarnaast is ook onbekend op welke manier gewaarborgd blijft dat de lopende termijnen worden nagekomen. Ter zitting heeft verweerster bevestigd dat de huur voor juli en augustus 2023 tijdig is betaald.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 24 mei 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 juni 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2023 ten uitvoer kan leggen.
Gezien het feit dat verzoeker momenteel een PW-uitkering en huurtoeslag ontvangt en de termijnen voor juli en augustus 2023 tijdig heeft betaald, is voldoende aannemelijk dat de lopende termijnen kunnen worden betaald. In september zal budgetbeheer zijn opgestart bij verzoeker, waardoor ook voldoende gewaarborgd wordt dat de termijnen tijdig zullen worden betaald. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 januari 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres01] te Rotterdam voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van D. Kaymak, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2023.