Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 20 januari 2023 waarin ontruiming is bevolen. Verzoeker verklaarde dat hij door miscommunicatie tussen de IND en gemeente een jaar lang geen Participatiewet-uitkering ontving en daardoor niet in staat was de huur te betalen, hoewel hij de steun van derden heeft terugbetaald. Inmiddels ontvangt hij een PW-uitkering en huurtoeslag, waardoor hij de huurtermijnen kan voldoen.
Verweerster, de verhuurder, stelde dat er sprake is van een huurachterstand en dat verzoeker zich niet aan betalingsregelingen hield. Ter zitting werd bevestigd dat de huur voor juli en augustus 2023 wel tijdig is betaald. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een bedreigende situatie door de geplande ontruiming en dat het belang van verzoeker om in de woning te blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank kende daarom een voorlopige voorziening toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal worden afgerond. De voorziening wordt verlengd indien nodig en SHV zal verslag uitbrengen over de uitvoering van de schuldregeling.