Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [naam01] en mevrouw [naam02] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: SHV);
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 30 april 2021 en dreigde op 4 oktober 2023 te worden uitgevoerd.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie, aangezien het vonnis en het exploot van de ontruiming zijn overgelegd. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en huurtoeslag, waarmee zij voldoende inkomsten heeft om de lopende huur te betalen. Zij staat onder beschermingsbewind en wordt ondersteund door de gemeente Rotterdam bij haar schuldenproblematiek, die mede is ontstaan door een taalbarrière.
Verweerster, Stichting Hef Wonen, voert aan dat verzoekster betalingsregelingen niet is nagekomen en de huurachterstand is toegenomen. Desondanks weegt de rechtbank het belang van verzoekster om in haar woning te kunnen blijven en het schuldhulpverleningstraject voort te zetten zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De voorziening wordt onder voorwaarde toegewezen dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan.
De voorlopige voorziening geldt voor zes maanden, waarbij de huurovereenkomst wordt verlengd voor die periode. SHV, de schuldenhulpverlener, moet uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen aan de rechtbank. De uitspraak is gedaan door rechter C. de Jong op 23 november 2023.
Uitkomst: Voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor ontruiming van huurwoning voor zes maanden wordt opgeschort onder voorwaarde van tijdige betaling lopende termijnen.