ECLI:NL:RBROT:2023:11349

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 december 2023
Publicatiedatum
5 december 2023
Zaaknummer
ROT 23/364
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.C.W. van der Feltz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 234 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onjuiste zonebetaling

De heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam legde een naheffingsaanslag parkeerbelasting op aan eiseres wegens het niet voldoen aan de betaalplicht op een specifieke locatie. Eiseres had parkeerbelasting betaald voor een andere zone met een ander tarief, maar niet correct voor de locatie waar de overtreding plaatsvond.

Eiseres stelde dat de reeds betaalde parkeerbelasting verrekend had moeten worden met de naheffingsaanslag. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar bevoegd is om bij naheffing een forfaitair bedrag gelijk aan de verschuldigde parkeerbelasting van een uur in rekening te brengen, ongeacht reeds gedane betalingen, conform artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet.

De verwijzing van eiseres naar jurisprudentie over verkeerde kentekeninvoer werd niet gevolgd omdat hier sprake was van een onjuist zonenummer, wat leidt tot onvoldoende betaling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/364

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2023 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach,
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: [naam] en mr. D. El Manouzi.

Procesverloop

Verweerder heeft [naam bedrijf] bij beschikking van 22 september 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer])
Bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beschikking en de aanslag ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2023.
De gemachtigde van eiseres heeft voorafgaand aan de zitting de rechtbank bericht dat hij niet ter zitting zal verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Aan [naam bedrijf] is een naheffingsaanslag opgelegd waarop staat vermeld dat op 8 september 2022 om 13:59 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Honingerdijk te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan.
2. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer bijzonder is in geschil of verweerder de reeds betaalde parkeerbelasting had moeten verrekenen.
2.1.
Er bestaat geen geschil over dat op die locatie parkeerbelasting verschuldigd was en dat eiseres parkeerbelasting heeft afgedragen voor een andere zone waar een ander tarief gold.
3. Eiseres stelt dat zij reeds parkeerbelasting deels heeft voldaan wat maakt dat verweerder ten onrechte een bedrag van € 2,60 heeft nageheven. Verweerder had de reeds betaalde parkeerbelasting behoren te verrekenen met het juiste tarief. Het invoeren van een onjuist zonenummer doet hieraan niet af. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 augustus 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4974 en de uitspraak van de Hoge Raad van 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:316.
4. Voor zover eiseres heeft gesteld dat verweerder niet bevoegd was om € 2,60 na te heffen, gelet op de reeds betaalde parkeerbelasting, volgt de rechtbank dit niet. Volgens artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet is de heffingsambtenaar bevoegd om bij naheffing standaard een forfaitair bedrag gelijk aan de verschuldigde parkeerbelasting van een uur in rekening te brengen, ongeacht wat overigens al zou zijn betaald (vgl de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 21 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2134, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:56).
4.1.
De verwijzing van eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:316) leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest ziet op de situatie waarin een belanghebbende per abuis een verkeerd kenteken heeft ingevoerd bij (reguliere) betaling. De situatie van eiseres komt hiermee niet overeen. In de onderhavige zaak heeft eiseres een verkeerd zonenummer ingevuld en zij heeft daardoor niet op de juiste wijze en onvoldoende parkeerbelasting afgedragen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).