Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.De beoordeling
.
Rechtbank Rotterdam
Opposant heeft verzet aangetekend tegen het vonnis waarbij hij in staat van faillissement is verklaard. Hij stelde dat hij niet op de voortgezette behandeling was gewezen en erop mocht vertrouwen dat deze niet zou plaatsvinden na het nakomen van een betalingsregeling.
De rechtbank oordeelt dat opposant tijdens de eerste behandeling van het faillissementsverzoek op 31 oktober 2023 is verschenen en inhoudelijk verweer heeft gevoerd. De voortgezette behandeling op 14 november 2023 is hem mondeling meegedeeld, maar hij is niet verschenen en heeft de gevraagde betalingsbewijzen niet overgelegd.
Gezien deze feiten is opposant in de zin van artikel 8, tweede lid, Faillissementswet gehoord en heeft hij geen recht op verzet, maar slechts op hoger beroep. Hij heeft inmiddels hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag, gepland op 12 december 2023.
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk en wijst erop dat hoger beroep binnen acht dagen na deze uitspraak kan worden ingesteld door een advocaat.
Uitkomst: Het verzet van opposant tegen de faillissementsverklaring is niet-ontvankelijk verklaard omdat hij tijdens de eerste behandeling is gehoord en inhoudelijk verweer heeft gevoerd.