Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde werd in 2016 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar. Op 12 februari 2020 werd hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 1095 dagen, verbonden aan bijzondere voorwaarden zoals opname in een zorginstelling en meewerken aan begeleid wonen.
Na een eerdere herroeping en hernieuwde voorwaardelijke invrijheidstelling met een verlengde proeftijd, diende het Openbaar Ministerie op 31 oktober 2023 een nieuwe vordering in tot verlenging van de proeftijd met 365 dagen. Deze verlenging werd onderbouwd met het advies van de reclassering dat de veroordeelde eerst moet uitstromen naar begeleid wonen alvorens onbegeleid terug te keren in de maatschappij.
De rechtbank oordeelt dat verlenging van de proeftijd in dit geval leidt tot een feitelijke vrijheidsbeneming die de maximale duur van de door de rechter opgelegde straf overschrijdt. Dit is in strijd met artikel 7 lid 1 EVRM Pro, zoals bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 15 juni 2021. Omdat de veroordeelde op het einde van de proeftijd nog klinisch opgenomen zal zijn en er geen zicht is op een plek voor begeleid wonen, wijst de rechtbank de vordering af.
De rechtbank gaat niet in op de bredere juridische vragen over de gevolgen van het arrest voor uitstel of herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling of de juridische gelijkstelling van klinische opname aan detentie, omdat deze niet relevant zijn voor de huidige beslissing.
De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken op 5 december 2023.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling af wegens overschrijding van de maximale duur van de vrijheidsstraf.