Eiseres maakte bezwaar tegen de officiële inbewaringneming van een zending kratompoeder door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die de binnenkomst van de zending in de EU had geweigerd omdat kratom niet voldoet aan de wettelijke regels voor levensmiddelen. De minister baseerde zijn besluit op het feit dat kratom als nieuw voedingsmiddel wordt aangemerkt en niet op de Unielijst staat, waardoor het zonder vergunning niet in de handel mag worden gebracht.
De rechtbank oordeelt dat kratom terecht als levensmiddel in de zin van Verordening (EG) Nr. 178/2002 wordt aangemerkt, ondanks het betoog van eiseres dat kratom een psychotrope stof is en niet onder de definitie van levensmiddelen valt. De rechtbank volgt de eerdere jurisprudentie en het standpunt van de minister dat kratom niet is opgenomen in de VN-verdragen over verdovende middelen en psychotrope stoffen en dat het HvJEU-arrest waar eiseres zich op beroept niet van toepassing is op de definitie van levensmiddelen.
De rechtbank bevestigt tevens dat kratom een nieuw voedingsmiddel is in de zin van Verordening (EU) 2015/2283 en dat eiseres geen vergunning heeft voor het in de handel brengen ervan. De minister heeft daarom terecht de partij kratom in officiële bewaring genomen en de binnenkomst geweigerd. Ook de bezwaren van eiseres tegen de zorgvuldigheid, motivering en het rechtszekerheidsbeginsel worden verworpen.
De rechtbank acht de maatregel evenredig, gelet op het belang van de bescherming van de menselijke gezondheid en het ontbreken van bewijs dat de maatregel onevenredig zwaar is voor eiseres. Het beroep wordt ongegrond verklaard, de inbewaringneming blijft in stand en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.