ECLI:NL:RBROT:2023:11527
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WOZ-beschikking wegens onvoldoende onderbouwing en afwijzing immateriële schadevergoeding
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn hoekwoning per 1 januari 2020, die door verweerder is vastgesteld op €302.000,-, terwijl eiser een waarde van €232.000,- aanvoert. Verweerder heeft een taxatierapport en waardematrix overgelegd ter onderbouwing, maar de rechtbank oordeelt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gehanteerde inhoud van de woning correct is, omdat de inhoud in de matrix afwijkt van de iWOZ-kaarten zonder voldoende verklaring.
De rechtbank constateert dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 40, tweede lid, Wet WOZ door niet tijdig inzicht te geven in de correcties op KOUDV-factoren. Hierdoor wordt het bestreden besluit vernietigd. Eiser heeft geen onderbouwing geleverd voor zijn lagere waarde, zodat de rechtbank de waarde schattenderwijs vaststelt op €293.000,-.
Verder is de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep overschreden. Hoewel eiser een immateriële schadevergoeding vordert, wijst de rechtbank dit af omdat eiser de vordering bij voorbaat heeft overgedragen aan zijn gemachtigde. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van €2.266,- aan eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter Adriaansen en griffier Oskam op 22 november 2023. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de WOZ-waarde vastgesteld op €293.000,-; het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.