ECLI:NL:RBROT:2023:11528
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging WOZ-beschikking wegens onvoldoende onderbouwing waarde en afwijzing immateriële schadevergoeding
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een twee-onder-een-kapwoning centraal. Eiser betwist dat de waarde van € 456.000,- correct is en stelt een waarde van € 430.000,- voor. Verweerder heeft de waarde vastgesteld en onderbouwd met een taxatierapport en een waardematrix, maar heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde inhoud van de woning juist is.
De rechtbank constateert dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ door tijdens de bezwaarfase geen inzicht te geven in de gehanteerde correcties. Hierdoor wordt het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank stelt de waarde schattenderwijs vast op € 448.000,-, omdat eiser geen onderbouwing heeft geleverd voor zijn lagere waarde.
Daarnaast is de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep overschreden. Eiser verzocht om immateriële schadevergoeding, maar dit verzoek wordt afgewezen omdat eiser deze vordering bij voorbaat heeft overgedragen aan een derde partij. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de WOZ-waarde vastgesteld op € 448.000,-; het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.