ECLI:NL:RBROT:2023:11626
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen definitieve vaststelling subsidie NOW-2 wegens ontslagaanvraag ongegrond verklaard
Eiseres had een voorschot op de NOW-2 subsidie ontvangen op basis van een verwacht omzetverlies van 95%. Bij de definitieve vaststelling bleek het omzetverlies 60% te zijn, waarop de subsidie werd verlaagd en een bedrag werd teruggevorderd. Dit was mede het gevolg van een ontslagaanvraag voor twee werknemers, waarvan één werknemer later weer in dienst werd genomen.
Eiseres stelde dat zij voldaan had aan de verplichting tot behoud van werkgelegenheid, onder meer omdat zij de werknemer doorbetaalde en later heraanstelde. Zij voerde aan dat de verlaging van de subsidie onterecht was en dat de belangenafweging niet juist was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de ontslagaanvraag binnen de subsidieperiode was ingediend en niet tijdig was ingetrokken, waardoor toepassing van artikel 4:46 Awb Pro en artikel 8 NOW Pro-2 gerechtvaardigd was.
De rechtbank vond dat verweerder de discretionaire bevoegdheid tot verlaging van de subsidie terecht en met een juiste belangenafweging had toegepast. Het doel van de NOW-2, behoud van werkgelegenheid, werd niet bereikt door de ontslagaanvraag en het tijdsverloop tot herindiensttreding. De termijn van vijf werkdagen om de ontslagaanvraag in te trekken was niet te kort. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de definitieve vaststelling van de NOW-2 subsidie wordt ongegrond verklaard en de terugvordering blijft in stand.