De rechtbank Rotterdam behandelde drie beroepen van een slachterij tegen boetes van €7.500,- opgelegd wegens overtredingen van de Wet dieren, gerelateerd aan onvoldoende preventie van condensvorming die vlees kan verontreinigen.
De boetes zijn gebaseerd op rapporten van de NVWA waarin condensdruppels werden geconstateerd op vlees en in koelcellen, wat een reëel risico op besmetting met ziekteverwekkers zoals Listeria inhoudt. De slachterij betwistte de proportionaliteit van de boetes en de toepassing van de recidiveregeling, maar erkende de feiten niet te betwisten.
De rechtbank oordeelde dat de boetes terecht zijn opgelegd en evenredig zijn, gezien de herhaalde overtredingen. Wel werd één boete verlaagd tot €6.250,- vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van tien maanden. Tevens werd de Staat der Nederlanden veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan de eiseres.
De beroepen tegen de andere twee boetes werden ongegrond verklaard. De uitspraak benadrukt het belang van adequate maatregelen tegen condensvorming in slachterijen ter bescherming van de volksgezondheid en bevestigt de bevoegdheid tot boeteoplegging door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.