ECLI:NL:RBROT:2023:11699
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing persoonsgebonden budget wegens onvoldoende gewaarborgde hulp
Eiseres, met een licht verstandelijke beperking en ontwikkelingsstoornis, had eerder een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen voor zorg onder de Wet langdurige zorg (Wlz). Dit pgb werd ingetrokken omdat zij geen geldige gewaarborgde hulp kon aanstellen. Na een nieuwe aanvraag wees het zorgkantoor het pgb af omdat de aangewezen gewaarborgde hulp, die tevens huurder is van de zorgverlener en op hetzelfde adres woont, niet volstrekt partijdig kan handelen en er sprake is van belangenverstrengeling.
De rechtbank oordeelt dat de verplichting tot het aanstellen van een gewaarborgde hulp een voorwaarde is voor pgb-verlening en geen opgelegde verplichting in de zin van artikel 3.3.3, vijfde lid, Wlz. De rechtbank bevestigt dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb te weigeren op grond van artikel 3.3.3, vierde en vijfde lid, Wlz en artikel 5:11, tweede lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz), omdat de gewaarborgde hulp onvoldoende waarborg biedt voor het nakomen van de pgb-verplichtingen.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het maatschappelijk belang van het zorgkantoor om de juiste besteding van middelen en kwalitatief goede zorg te waarborgen zwaarder weegt dan het belang van eiseres om zelf te bepalen bij wie zij zorg inkoopt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van het pgb blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het persoonsgebonden budget blijft in stand.