ECLI:NL:RBROT:2023:11758

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
C/10/654042 / HA ZA 23-237
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 99 RvArt. 108 lid 3 RvArt. 110 lid 2 RvArt. 6:217 BWArt. 3:33 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd wegens ontbreken forumkeuze in algemene voorwaarden

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de rechtbank Rotterdam relatief bevoegd was om van de vorderingen kennis te nemen. De eiseres, Spadel Nederland B.V., beriep zich op een forumkeuzebeding in haar algemene voorwaarden die op de facturen waren vermeld. De gedaagden, International Purchasing Group B.V. en aanverwante vennootschappen (IPG c.s.), betwistten de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden, mede omdat de samenwerkingsovereenkomst waarop Spadel zich deels baseerde, was geëindigd.

De rechtbank oordeelde dat Spadel onvoldoende had gemotiveerd dat partijen een geldige forumkeuze hadden gemaakt. De enkele verwijzing naar de algemene voorwaarden op de facturen was niet voldoende om de toepasselijkheid ervan aan te nemen, temeer daar IPG c.s. dit gemotiveerd betwistte. Ook werd aangenomen dat de facturen niet onder de samenwerkingsovereenkomst vielen.

Hierdoor kon de rechtbank Rotterdam zich niet bevoegd verklaren en verwees zij de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Spadel werd veroordeeld in de proceskosten van het incident, begroot op €1.070,00, met een mogelijke verhoging bij niet-nakoming.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/654042 / HA ZA 23-237
Vonnis in incident van 6 december 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SPADEL NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Made,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. L. Bentohami te Ede,
tegen
de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
1.
INTERNATIONAL PURCHASING GROUP B.V.,
2.
COMPASS & PARTNERS HOLDING B.V.,
3.
COMPASS GROOTHANDEL B.V.,
allen gevestigd te Halderberge,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. E. Sengül te Kampen.
Partijen zullen hierna Spadel en IPG c.s. genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis in het incident van 28 juni 2023 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
  • de akte na tussenvonnis van IPG c.s., met een productie;
  • de akte na tussenvonnis van Spadel.
1.2.
Ten slotte is wederom vonnis bepaald in het incident.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Aan de orde is de vraag of deze rechtbank relatief bevoegd is. IPG c.s. hebben hun eis in het incident gegrond op in artikel 99 lid 1 Rv Pro. Spadel heeft verweer gevoerd door te stellen dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat daarin een forumkeuzebeding is opgenomen. In het tussenvonnis heeft de rechtbank IPG c.s. in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Spadel.
2.2.
Een forumbeding bij overeenkomst kan ingevolge artikel 108 lid 3 Rv Pro worden bewezen door een geschrift dat zo’n beding bevat of dat verwijst naar algemene voorwaarden die zo’n beding bevatten, mits dat geschrift door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard. Of de wederpartij de gelding van bepaalde algemene voorwaarden heeft aanvaard moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen over aanbod en aanvaarding in de zin van artikel 6:217 e.v. BW en de totstandkoming van rechtshandelingen in het algemeen in de zin van artikel 3:33 e.v. BW.
2.3.
Spadel draagt, als de partij die zich op de uitzondering op de wettelijke bevoegdheidsregels beroept, de stelplicht en (zo nodig) bewijslast van haar stelling, dat een forumkeuze voor deze rechtbank is overeengekomen.
2.4.
IPG c.s. hebben in hun incidentele conclusie tot onbevoegdheid al betwist dat de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden uit de samenwerkingsovereenkomst volgt. Die overeenkomst is volgens IPG c.s. op 31 december 2021 geëindigd. De facturen zien op de periode daarna, zodat de samenwerkingsovereenkomst daarvoor geen grondslag vormt. Spadel heeft dit bij antwoord in het incident niet weersproken. Sterker; bij antwoord in het incident heeft Spadel geen enkel beroep (meer) gedaan op de samenwerkingsovereenkomst en zich ten aanzien van de gestelde forumkeuze enkel beroepen op de toepasselijkheid van haar algemene voorwaarden vanwege de verwijzing daarnaar op haar facturen. Voor zover Spadel hiermee niet beoogd heeft het beroep op de samenwerkingsovereenkomst prijs te geven, heeft zij dat in elk geval onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.
2.5.
Of ook in de hoofdzaak zal komen vast te staan dat de gevorderde facturen buiten het bereik van de samenwerkingsovereenkomst vallen, zal na beoordeling van de stellingen en betwistingen in de hoofdzaak moeten blijken. De rechtbank ziet evenwel in wat hiervoor is overwogen aanleiding om bij de beoordeling van de bevoegdheidsvraag ervan uit te gaan dat de thans gevorderde facturen niet worden beheerst door de samenwerkingsovereenkomst en de daarvan deel uitmakende algemene voorwaarden. Van enige bevoegdheid van deze rechtbank op grond van die voorwaarden is dan ook geen sprake.
2.6.
De verwijzing naar de algemene voorwaarden op de facturen zelf leidt evenmin tot het oordeel dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn. Terecht hebben IPG c.s. betoogd dat die verwijzing – op zichzelf beschouwd – niet zonder meer betekent dat de algemene voorwaarden op (volgende) transacties tussen partijen van toepassing zijn. Gelet op de gemotiveerde betwisting door IPG c.s., had het op de weg van Spadel gelegen om te onderbouwen dat en waarom die enkele verwijzing in dit geval betekent dat partijen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden zijn overeengekomen. Dat heeft Spadel in dit incident niet gedaan. Daarmee heeft zij haar stelling onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Dit betekent dat, bij de beoordeling van de bevoegdheidsvraag, het ervoor moet worden gehouden dat partijen geen forumkeuze hebben gemaakt. Of de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden ook in de hoofdzaak niet zal komen vast te staan, zal wederom na beoordeling van de stellingen en betwistingen in de hoofdzaak moeten blijken. Op de overige standpunten van partijen hoeft in het licht van het voorgaande niet te worden ingegaan.
2.7.
De conclusie is dat de rechtbank Rotterdam niet bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen en daarop te beslissen. De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring zal dan ook worden toegewezen. Op grond van artikel 110 lid 2 Rv Pro in verbinding met artikel 99 Rv Pro zal de zaak in de stand waarin zij zich bevindt worden verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Proceskosten
2.8.
Spadel zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van IPG c.s. worden begroot op:
- salaris advocaat € 897,00 (1,5 punt × tarief II van € 598,00)
- nakosten
€ 173,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.070,00

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen,
3.2.
veroordeelt Spadel in de proceskosten van het incident, aan de zijde van IPG c.s. tot op heden begroot op € 1.070,00. Als Spadel niet aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Spadel € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
in de hoofdzaak
3.3.
verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector civiel recht (Cluster II Handelszaken, locatie Breda).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2023.
[3757/3268/3195]