Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1],
[eiser 2],
Rechtbank Rotterdam
Eisers vorderen in kort geding de waardeloosverklaring van een executoriaal beslag dat in 2005 op hun woning is gelegd door een inmiddels ontbonden maatschap. De beslagleggende maatschap is in 2009 ontbonden en de maten zijn in 2013 en 2019 opgehouden te bestaan, zonder dat een rechtsopvolger bekend is. Het dossier bij de deurwaarder is vernietigd en de onderliggende vordering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter betaald.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisende belang voldoende is aangetoond en dat een bodemprocedure te lang zou duren, terwijl de uitkomst niet anders zal zijn. Daarom wordt de waardeloosverklaring van het beslag toegewezen. De gevorderde machtiging tot doorhaling wordt afgewezen omdat het vonnis zelf de bewaarder al machtigt tot doorhaling.
Het vonnis verklaart het beslag op de onverdeelde helft van de woning waardeloos en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. De gedaagde maatschap is niet verschenen en heeft geen bekend adres.
Uitkomst: Het executoriaal beslag uit 2005 op de woning wordt waardeloos verklaard.