ECLI:NL:RBROT:2023:11772

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
10796001 VV EXPL 23-58
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Belangenafweging bij voortgezet huurgebruik na beëindiging relatie

Partijen, die gezamenlijk een woning huren, zijn uit elkaar gegaan waarna de man de woning verliet. Hij vordert in kort geding het exclusieve gebruik van de woning totdat een bodemprocedure hierover beslist. De vrouw betwist dit en vordert dat de man de woning verlaat en niet meer betreedt.

De rechter beoordeelt het spoedeisend belang en de belangenafweging op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro. De man heeft een spoedeisend belang omdat hij anders dakloos zou zijn en zijn contact met zijn kinderen verliest. De vrouw heeft geen verblijfsalternatief en verzorgt twee hondjes. Zij betaalt zelfstandig de huur en de man heeft schulden.

De rechter oordeelt dat geen van beide partijen een doorslaggevend recht heeft op de woning. Wel is vastgesteld dat de vrouw de huur kan nakomen en door de verhuurder als huurder wordt geaccepteerd. De man heeft afstand gedaan van de woning in een handgeschreven briefje, maar dit wordt door hem betwist als spelletje. De rechter wijst de vordering van de man af en veroordeelt hem de woning te verlaten en niet meer te betreden. De vrouw mag voorlopig in de woning blijven. De proceskosten worden gecompenseerd en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vrouw mag voorlopig alleen in de woning blijven en de man moet de woning verlaten en mag deze niet meer betreden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 10796001 VV EXPL 23-58
datum uitspraak: 14 december 2023
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon01],
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. G. Sarier,
tegen
[persoon02],
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. M.R. Dill.
De partijen worden hierna ‘ [persoon01] ’ en ‘ [persoon02] ’ genoemd.

1.De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 21 november 2023, met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen hebben gezamenlijk een woning gehuurd van Trivire aan de [adres01] te Dordrecht (hierna: de woning). Nadat de affectieve relatie tussen partijen is geëindigd, is [persoon01] eind september 2023 uit de woning vertrokken.
2.2.
[persoon01] vordert in kort geding in conventie, dat wordt bepaald dat hij met uitsluiting van [persoon02] gerechtigd is tot het gebruik van de woning, totdat partijen afspraken hebben gemaakt, dan wel totdat de rechter in de nog aanhangig te maken bodemprocedure heeft beslist. [persoon01] stelt daartoe dat dit geen goede situatie is. Hij is eerder na zijn echtscheiding bij het Leger des Heils terecht gekomen. Met het huren van de woning heeft hij een stap voorwaarts gemaakt. Doordat hij niet meer in de woning kan verblijven, is hij opnieuw op straat terecht gekomen. Daardoor ziet hij zijn kinderen uit een vorige relatie niet meer. Dit doet zijn persoonlijke en gezondheidssituatie geen goed. [persoon02] daarentegen kan bij haar moeder inwonen.
2.3.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [persoon01] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [persoon02] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
2.4.
[persoon02] heeft betwist dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat [persoon01] al een maand of twee bij het Leger des Heils en/of vrienden verblijft. De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij. Een situatie die als tijdelijke oplossing (noodgedwongen) wordt verkozen, hoeft niet geschikt te zijn als langdurige of permanente oplossing. Gelet op de geschetste omstandigheden neemt de voorzieningenrechter aan dat [persoon01] een voldoende spoedeisend belang heeft om niet ‘dakloos’ de duur van een bodemprocedure te hoeven afwachten.
2.5.
[persoon02] heeft inhoudelijk aangevoerd dat de belangenafweging van artikel 7:267 lid 7 BW Pro in haar voordeel dient uit te vallen. Zij heeft geen verblijfsalternatief, ze heeft twee hondjes en kan daarmee niet bij haar getraumatiseerde moeder verblijven. Verder is de relatie met [persoon01] geëindigd doordat [persoon01] er tijdens de relatie al geregeld voor koos op straat te leven omdat hij moeilijk kan aarden in een woning en door het geweld dat [persoon01] tegen [persoon02] en haar moeder gebruikte. [persoon02] betaalt al twee maanden zelfstandig de huur en kan dit blijven doen terwijl [persoon01] schulden heeft. Daarnaast zijn in het jaar dat zij samen in de woning woonden de kinderen van [persoon01] nooit langs geweest, zodat dat nu geen reden kan zijn de belangenafweging in het voordeel van [persoon01] uit te laten vallen. [persoon02] vordert daarom in reconventie dat wordt bepaald dat zij met uitsluiting van [persoon01] gerechtigd is tot het gebruik van de woning, dat [persoon01] de woning moet verlaten en niet meer mag betreden onder afgifte van de sleutels en op straffe van een dwangsom, en zich niet in de nabijheid van de woning mag bevinden.
2.6.
Partijen nemen in deze procedure grotendeels min of meer vergelijkbare posities in: qua rechten op de woning, qua over en weer gestelde en betwiste (on)mogelijkheden om elders te verblijven en qua beschuldigingen over en weer over het verloop van de relatie en de nasleep daarvan. Geen van deze stellingen/omstandigheden vormen op zichzelf een doorslaggevende reden om de belangenafweging richting de een of de ander te laten uitvallen. Beiden zijn immers huurder van de woning en hebben evenveel recht om de woning te huren.
2.7.
De gemachtigde van [persoon02] heeft bij zijn brief van 16 november 2023 een door [persoon01] handgeschreven briefje, waarin hij afstand doet van de woning en een foto van [persoon01] waarop hij blijkbaar het briefje aan het schrijven is, gestuurd aan de gemachtigde van [persoon01] . [persoon01] heeft nooit ontkend dit briefje te hebben geschreven, maar zei hierover op zitting dat dit onderdeel is van de spelletjes die door [persoon02] worden gespeeld. Daarnaast heeft Veilig Thuis op 17 oktober 2023 een ‘formulier t.b.v. overdracht van gemelde zorgen’ opgemaakt naar aanleiding van meldingen van [persoon02] waarop de politie is afgegaan op 31 augustus 2023, 20 september 2023 ( [persoon01] heeft bij die gelegenheid getekend dat hij niet meer op het adres gaat verblijven), en 6 oktober 2023 (de politie heeft bemiddeld toen [persoon01] spullen kwam halen). Trivire heeft reeds te kennen gegeven dat zij [persoon02] als huurder alleen zal accepteren, terwijl [persoon02] de huurverplichtingen kan nakomen. Ten aanzien van [persoon01] is daarover niets bekend. Tegen deze achtergrond zal de voorzieningenrechter, vooruitlopend op de bodemprocedure, de huidige situatie niet wijzigen, zodat [persoon02] vooralsnog in de woning kan blijven. De vordering van [persoon02] wat betreft de veroordeling van [persoon01] om de woning te verlaten en niet meer te betreden kan dan ook worden toegewezen. Het deel van de vordering van [persoon02] dat neerkomt op een verklaring voor recht (de gerechtigdheid tot het gebruik van de woning) kan in kort geding niet worden toegewezen en voegt ook niets toe aan het wel toewijsbare deel, nu niet ter discussie staat dat zij tot het gebruik van de woning is gerechtigd. De reikwijdte van artikel 7:267 lid 7 BW Pro behelst niet het gevorderde verbod dat [persoon01] zich niet in de nabijheid van de woning mag bevinden, zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen. Ook de vordering van [persoon01] zal worden afgewezen.
[persoon02] heeft zelf gesteld dat zij de sloten van de deur heeft vervangen. Nu door haar niet is gesteld of op andere wijze is gebleken dat [persoon01] van die nieuwe sloten sleutels heeft, wordt dit deel van de vordering afgewezen, evenals de gevorderde dwangsom nu voor het toewijzen daarvan onvoldoende is gesteld.
2.8.
Vanwege de voormalige relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd.
2.9.
Dit vonnis zal in reconventie, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter voorlopig toch aan dit vonnis moet worden voldaan.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
wijst af de vordering van [persoon01] ;
in reconventie
3.2.
veroordeelt [persoon01] de woning te verlaten en niet meer te betreden totdat anders is beslist of afgesproken;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in conventie en in reconventie
3.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
745