ECLI:NL:RBROT:2023:11784

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
9817076 / CV EXPL 22-11866
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:97 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 705 lid 2 RvArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling en vaststelling tekortkomingen in nakoming overeenkomst

De rechtbank Rotterdam heeft op 1 december 2023 uitspraak gedaan in een civiele zaak tussen twee partijen die handelen onder handelsnamen, waarbij eiser vorderingen had ingediend wegens tekortkomingen in de nakoming van een overeenkomst door gedaagde.

In een tussenvonnis van 21 april 2023 was reeds vastgesteld dat eiser tekortgeschoten was in de nakoming van zijn verplichtingen, maar dat er geen grond was voor ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank moest nu beoordelen welke kosten gemoeid waren met deze tekortkomingen en welk bedrag daarvan in mindering moest worden gebracht op de hoofdsom.

Partijen konden het niet eens worden over de hoogte van dit bedrag. Omdat geen van beide partijen dit met stukken had onderbouwd, stelde de kantonrechter de kosten ex aequo et bono vast op €7.000, dat in mindering werd gebracht op de gevorderde hoofdsom van €21.870,70. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente toegewezen.

Verder werd een verklaring voor recht gegeven dat eiser tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst, maar werd de vordering tot ontbinding afgewezen. De opheffing van het conservatoir beslag werd eveneens afgewezen omdat de vordering van eiser werd toegewezen en hij een belang bij het beslag heeft. Proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €15.794,41 inclusief rente en beslagkosten, verklaring voor recht tekortkoming toegewezen, overige vorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 9817076 / CV EXPL 22-11866
datum uitspraak: 1 december 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon01] ,die handelt onder de naam [handelsnaam01] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: dhr. [naam01] , (rolgemachtigde [naam02] ),
tegen
[persoon02], die handelt onder de naam [handelsnaam02] ,
woonplaats: [woonplaats02] gemeente [gemeente01] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: thans mr. R. Delgado, daarvoor mr. M.A.C. Backx.
De partijen worden hierna ‘ [persoon01] ’ en ‘ [persoon02] ’ genoemd.

1.Het vervolg van de procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het tussenvonnis van 21 april 2023, met de daarin genoemde stukken;
  • de e-mail van 26 april 2023 van [persoon02] ;
  • de brief van 31 mei 2023 van [persoon01] , met bijlagen;
  • de akte van [persoon01] ;
  • de antwoordakte van [persoon02] , met bijlagen;
  • de akte uitlating van [persoon01] .
1.2.
Op 6 juni 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • [persoon01] , met dhr. [naam03] als gemachtigde;
  • [persoon02] , met haar opvolgend gemachtigde.
1.3.
Na de zitting is de zaak aangehouden, zodat partijen met elkaar in overleg konden gaan om te kijken of zij er onderling uit konden komen. Uit de door partijen ingediende aktes is gebleken dat partijen er onderling niet uitgekomen zijn.

2.De verdere beoordeling

Het bedrag dat in mindering strekt op de hoofdsom
2.1.
In het tussenvonnis van 21 april 2023 heeft de kantonrechter vastgesteld dat, en op welke punten, [persoon01] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [persoon02] . Daarbij is tevens overwogen dat er geen grond is voor (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst, maar dat door de tekortkomingen van [persoon01] ook niet de volledig gevorderde hoofdsom kan worden toegewezen.
2.2.
Beoordeeld moet daarom worden welke kosten zijn gemoeid met de tekortkomingen die vervolgens in mindering moeten worden gebracht op de gevorderde hoofdsom.
2.3.
Partijen hebben zich bij akte kunnen uitlaten over deze kosten. [persoon01] stelt zich op het standpunt dat een bedrag van € 3.250,00 in mindering moet worden gebracht op de hoofdsom, maar heeft tegelijkertijd een voorstel gedaan om een bedrag van € 5.000,00 in mindering te brengen. [persoon02] is het daarmee niet eens en vindt het bedrag van € 5.000,00 niet in overeenstemming met de realiteit.
2.4.
Omdat [persoon01] enerzijds zijn stelling dat vanwege de tekortkomingen een bedrag van € 3.250,00 c.q. € 5.000,00 in mindering moet worden gebracht niet met stukken heeft onderbouwd en anderzijds [persoon02] die stelling betwist, kan de kantonrechter er niet in rechte van uitgaan dat de door [persoon01] gestelde kosten juist zijn. Omdat [persoon02] op haar beurt ook geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht welk bedrag dan wel in mindering moet worden gebracht op de hoofdsom, kan op dit moment op basis van de stellingen van partijen en de wijze waarop is geprocedeerd niet worden vastgesteld welk bedrag gemoeid gaat met de kosten als gevolg van de tekortkomingen door [persoon01] .
2.5.
Om proceseconomische redenen en gelet op de fase waarin de procedure zich op dit moment bevindt, acht de kantonrechter voor het vaststellen van de kosten een deskundigenbericht niet op z’n plaats. De kantonrechter zal de kosten daarom op grond van artikel 6:97 BW Pro ex aequo et bono vaststellen op een bedrag van € 7.000,00. Dit bedrag zal in mindering worden gebracht op de gevorderde hoofdsom van € 21.870,70. Na aftrek van voornoemd bedrag resteert een bedrag van € 14.870,7‬0, dat [persoon02] aan [persoon01] moet betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
2.6.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 923,71 toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW Pro). Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag dat is toegewezen.
2.7.
De wettelijke handelsrente wordt toegewezen, omdat [persoon01] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [persoon02] dat niet heeft betwist.
Verklaringen voor recht
2.8.
Aangezien de kantonrechter in het tussenvonnis al heeft overwogen dat [persoon01] op bepaalde punten is tekortgeschoten, zal de verklaring voor recht dat [persoon01] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, voor zover het betreft het deel van die overeenkomst dat ziet op de gebreken en het niet deugdelijk verrichte werk, worden toegewezen. De verklaring voor recht dat de overeenkomst gedeeltelijk is ontbonden wordt afgewezen, omdat in het tussenvonnis al is overwogen dat [persoon01] niet in verzuim verkeert en er daarom ook geen grond is voor een (gedeeltelijke) ontbinding.
Opheffing conservatoire beslagen
2.9.
[persoon02] vordert in reconventie verder opheffing van het conservatoir beslag. Op grond van artikel 705 lid 2 Rv Pro kan de opheffing van het beslag onder meer worden uitgesproken indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Daarbij geldt dat het op de weg ligt van degene die opheffing van een conservatoir beslag vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is. Nu de vordering van [persoon01] wordt toegewezen, staat vast dat daarvan geen sprake is. Daarnaast heeft [persoon01] een belang bij het gelegde beslag. De vordering wordt daarom afgewezen.
Proceskosten en beslagkosten
2.10.
Omdat partijen over en weer in het gelijk worden gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt.
2.11.
Ten aanzien van de gevorderde beslagkosten overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 706 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen de kosten van het beslag van de beslagene teruggevorderd worden, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld en de omvang van het toe te wijzen bedrag acht de kantonrechter het beslag niet nodeloos gemaakt. Feiten en/of omstandigheden die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat het conservatoir beslag onnodig was zijn gesteld noch gebleken. Verder is niet gebleken dat het beslag nietig was en niet is gesteld of gebleken dat deze onrechtmatig was. De gevorderde vergoeding van de beslagkosten is derhalve, nu bovendien geen specifiek verweer tegen de gestelde hoogte daarvan is gevoerd, toewijsbaar.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro).

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie:
3.1.
veroordeelt [persoon02] om aan [persoon01] te betalen € 15.794,41 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 14.870,7‬0 vanaf 13 februari 2022 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [persoon02] om aan [persoon01] te betalen de beslagkosten van € 946,99;
in reconventie:
3.3.
verklaart voor recht dat [persoon01] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, voor zover het de in het vonnis van 21 april 2023 vastgestelde tekortkomingen betreft;
in conventie en reconventie:
3.4.
compenseert verder de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen proceskosten draagt;
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
37555