De rechtbank Rotterdam heeft op 1 december 2023 uitspraak gedaan in een civiele zaak tussen twee partijen die handelen onder handelsnamen, waarbij eiser vorderingen had ingediend wegens tekortkomingen in de nakoming van een overeenkomst door gedaagde.
In een tussenvonnis van 21 april 2023 was reeds vastgesteld dat eiser tekortgeschoten was in de nakoming van zijn verplichtingen, maar dat er geen grond was voor ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank moest nu beoordelen welke kosten gemoeid waren met deze tekortkomingen en welk bedrag daarvan in mindering moest worden gebracht op de hoofdsom.
Partijen konden het niet eens worden over de hoogte van dit bedrag. Omdat geen van beide partijen dit met stukken had onderbouwd, stelde de kantonrechter de kosten ex aequo et bono vast op €7.000, dat in mindering werd gebracht op de gevorderde hoofdsom van €21.870,70. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente toegewezen.
Verder werd een verklaring voor recht gegeven dat eiser tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst, maar werd de vordering tot ontbinding afgewezen. De opheffing van het conservatoir beslag werd eveneens afgewezen omdat de vordering van eiser werd toegewezen en hij een belang bij het beslag heeft. Proceskosten werden gecompenseerd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.