In deze zaak vordert eiser, exploitant van een café, de opheffing van executoriale beslagen die door gedaagde, voormalig werknemer, zijn gelegd naar aanleiding van twee rechterlijke uitspraken. Gedaagde heeft beslag gelegd op vijf voertuigen en twee boottrailers, waarvan één voertuig in bewaring is genomen. Eiser stelt dat gedaagde misbruik maakt van haar executiebevoegdheid omdat hij volledig aan de veroordelingen heeft voldaan.
De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde over twee executoriale titels beschikt en bevoegd is tot executie, maar dat er sprake is van een wanverhouding tussen de omvang van de beslagen en het nog verschuldigde bedrag. Het is niet aannemelijk dat eiser niets meer verschuldigd is; er is een bedrag van € 1.500,- aan dwangsommen verschuldigd en een onzeker bedrag van € 1.602,16 wordt op een derdengeldenrekening gestort in afwachting van de bodemprocedure.
Gezien de disproportionele beslaglegging en de kosten die voor rekening van eiser komen, oordeelt de rechtbank dat gedaagde misbruik maakt van haar executiebevoegdheid. De beslagen worden onder voorwaarden opgeheven, met een dwangsom voor het geval gedaagde niet aan deze veroordeling voldoet. De proceskosten worden gecompenseerd.