Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[horecagelegenheid01],
Rechtbank Rotterdam
Eiser trad op 8 mei 2023 in dienst bij gedaagde voor 32 uur per week tegen een netto uurloon van €8,00 als allround medewerker. Hij werkte in mei, juni en juli in totaal 579,2 uur, maar ontving slechts €1.850 netto. Eiser vorderde het bruto-equivalent van het achterstallige loon plus vakantietoeslag en kosten.
Tijdens de mondelinge behandeling erkende gedaagde dat eiser werkzaamheden verrichtte, maar stelde dat een deel van de werkzaamheden in ruil voor kost en inwoning was verricht en dat betaling niet mogelijk was vanwege het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning. Eiser leverde een urenoverzicht en foto's als bewijs, maar dit overzicht was niet door gedaagde ondertekend.
De kantonrechter oordeelde dat in kort geding onvoldoende bewijs is geleverd om vast te stellen dat eiser recht heeft op het gevorderde loon. Nadere bewijslevering is in kort geding niet mogelijk. Daarom werd de vordering afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van €50 voor gedaagde.
Uitkomst: De loonvordering van eiser wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs en gebrek aan spoedeisend belang in kort geding.