Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten was;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.
4.Waardering van het bewijs
.De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij dit heeft gedaan, omdat er in de zorginstelling niet naar haar werd geluisterd, ondanks dat zij haar zorgen had geuit over de slechte behandeling van bewoners in de zorginstelling. De ter plaatste gekomen verbalisanten hebben geconstateerd dat de binnenzijde van de kamer zwart gekleurd was van de brand en dat het matras op het bed bijna volledig was afgebrand. Op basis van foto’s die zich in het dossier bevinden, kan daarnaast worden vastgesteld dat zich in de kamer van verdachte veel goederen bevonden in de directe nabijheid van de resten van het verbrande dekbed, waaronder gordijnen. De brand had op deze goederen kunnen overslaan. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het dossier bevat geen feiten en omstandigheden op basis waarvan kan worden gesteld dat sprake was van gemeen gevaar voor belendende ruimten. De enkele verklaring van aangeefster dat de omliggende kamers rookschade hebben opgelopen is daartoe onvoldoende. Forensisch onderzoek dan wel een rapport van de brandweer ontbreekt.
5.Strafbaarheid feit
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Bijlagen
10.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden;
groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
3 (drie) jaar;
mr. F. Wegman, voorzitter,