Verzoeksters, een moeder en dochter, zijn begin 2023 vanuit Curaçao naar Nederland gekomen vanwege een onveilige situatie na een scheiding. Zij hebben sindsdien wisselend op verschillende adressen verbleven zonder een vaste woonplaats. Het college weigerde hun aanvraag voor inschrijving met een briefadres omdat zij volgens het college op een woonadres stonden ingeschreven.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeksters geen woonadres hebben in de zin van de Wet basisregistratie personen (Wet brp), omdat zij niet langdurig op één adres verblijven en geen adres kunnen aanwijzen waar zij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar of drie maanden het merendeel van de tijd verblijven. Verzoeksters krijgen daarom het voordeel van de twijfel.
De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waardoor het college wordt gelast verzoeksters per 2 november 2023 in te schrijven met een briefadres tot de beslissing op bezwaar. Daarnaast moet het college het betaalde griffierecht en proceskosten vergoeden. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.