ECLI:NL:RBROT:2023:11925

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
ROT 22/6095
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 AWRArt. 7:2 AwbArt. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens niet-geldige bezoekersparkeervergunning

Eiseres is geconfronteerd met een naheffingsaanslag parkeerbelasting omdat haar auto zonder geldige betaling geparkeerd stond aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam tijdens winkeltijden. De heffingsambtenaar legde de aanslag op nadat was vastgesteld dat de bezoekersparkeervergunning niet geldig was op die locatie en tijd.

Eiseres voerde aan dat de hoorplicht was geschonden omdat zij niet was gehoord op haar verzoek, en dat de naheffingsaanslag onterecht was omdat de parkeerapp niet aangaf dat de vergunning niet geldig was tijdens winkeltijden. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om te worden gehoord te laat was ingediend, na de bekendmaking van de uitspraak op bezwaar, en dat de hoorplicht daarom niet was geschonden.

Verder stelde de rechtbank vast dat de voorwaarden van de vergunning schriftelijk aan de vergunninghouder bekend waren gemaakt, waaronder het verbod op gebruik tijdens winkeltijden op de Nieuwe Binnenweg. Het ontbreken van een waarschuwing in de parkeerapp leidt niet tot een wijziging van deze voorwaarden. Eiseres had parkeerbelasting moeten betalen en de naheffingsaanslag is terecht opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor eiseres de naheffingsaanslag moet voldoen en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/6095

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2023 in de zaak tussen

[naam eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 december 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiseres op 25 oktober 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de heffingsambtenaar deelgenomen. Namens eiseres heeft
mr. A. Khadri, kantoorgenoot van gemachtigde, deelgenomen.

Feiten

2. Op 3 oktober 2022 om 09:43 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiseres (kenteken [kenteken]) geparkeerd stond aan de Nieuwe Binnenweg in Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht was voldaan.
3. De heffingsambtenaar heeft eiseres bij beschikking van 25 oktober 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 70,76 bestaande uit € 4,26 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de hoorplicht is geschonden en of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de heffingsambtenaar de hoorplicht geschonden?
6. Eiseres betoogt dat de heffingsambtenaar de hoorplicht heeft geschonden. In het (tweede) bezwaarschrift van 30 november 2022 wordt door eiseres verzocht om te worden gehoord. Dit is niet gebeurd.
6.1.
Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt een belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gehoord op zijn verzoek.
6.2.
Op grond van artikel 3:40 van Pro de Awb treedt een besluit in werking na bekendmaking hiervan. Dit geschiedt op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bij beschikkingen door toezending of uitreiking hiervan.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de hoorplicht niet heeft geschonden. In het eerste bezwaarschrift van 19 oktober 2022 heeft eiseres niet verzocht te worden gehoord. Het tweede bezwaarschrift is op 30 november 2022 per e-mail en op 2 december 2022 per post door de heffingsambtenaar ontvangen. Dit bezwaarschrift is door de heffingsambtenaar als beroepschrift doorgestuurd naar deze rechtbank op grond van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is dit terecht gebeurd. De uitspraak op bezwaar is op 17 november 2022 door de heffingsambtenaar bekendgemaakt aan eiseres door toezending hiervan. Na de bekendmaking is de bezwaarfase afgesloten. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar de verzendadministratie laten zien. Eiseres heeft aangegeven dat hieruit duidelijk blijkt dat de verzending van de uitspraak op bezwaar op 17 november 2022 heeft plaatsgevonden. Nu de uitspraak op bezwaar op 17 november 2022 is bekendgemaakt en daarmee in werking is getreden, kon eiseres op 30 november 2022 geen bezwaarschrift meer indienen. Het verzoek om te worden gehoord is dan ook niet in de bezwaarperiode gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de naheffingsaanslag terecht aan eiseres opgelegd?
7. Eiseres betoogt dat de naheffingsaanslag onterecht is opgelegd, omdat haar auto was aangemeld via een bezoekersparkeervergunning. Uit de parkeerapp blijkt niet dat de vergunning niet geldig is op de Nieuwe Binnenweg tijdens winkeltijden.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is niet duidelijk of eiseres zelf de parkeervergunninghouder is, of dat de vergunninghouder ten behoeve van eiseres een parkeeractie is gestart in de parkeerapp. Voor de uitkomst maakt dat niet uit. Als eiseres niet de vergunninghouder is, komt het voor haar risico dat zij heeft vertrouwd op het handelen van de vergunninghouder.
7.2.
Van parkeren met een vergunning is alleen sprake als wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. [1] De heffingsambtenaar heeft de bezoekersparkeervergunning en de voorwaarden daarvan schriftelijk bekendgemaakt aan de vergunninghouder. Een van die voorwaarden is dat tijdens winkeltijden op de Nieuwe Binnenweg geen gebruik kan worden gemaakt van de vergunning. Vanaf het moment van bekendmaking golden de voorwaarden van de vergunning. Dat de vergunninghouder de voorwaarden destijds niet goed heeft gelezen of inmiddels (deels) is vergeten, blijft voor zijn of haar eigen risico. [2] Dat de parkeerapp geen waarschuwing bevatte dat de vergunning op die parkeerplaats niet geldig was tijdens winkeltijden, leidt niet tot een andere conclusie. De heffingsambtenaar was niet verplicht die waarschuwing in de app op te (laten) nemen, omdat de voorwaarden van de vergunning al op de voorgeschreven wijze bekend waren gemaakt. Uit het ontbreken van de waarschuwing mocht eiseres, althans de vergunninghouder, niet afleiden dat de voorwaarden van de vergunning kennelijk waren gewijzigd. Toen eiseres tijdens winkeltijden parkeerde op de Nieuwe Binnenweg, was de vergunning niet geldig en had zij parkeerbelasting moeten betalen. Dat heeft zij niet gedaan. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag daarom terecht opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres de naheffingsaanslag moet betalen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.J. Veth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Den Haag vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HR 17 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3336.
2.Hof Amsterdam 29 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3829.