De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de kinderrechter een zorgregeling vast te stellen voor de omgang tussen de vader en zijn minderjarige zoon, geboren in 2015. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar het contact tussen vader en zoon verloopt moeizaam door het dwingende gedrag van de vader en het ontbreken van constructieve afspraken.
De voorgestelde regeling houdt in dat de vader eenmaal per week op maandag- of dinsdagmiddag tussen 16.00 en 17.00 uur onder begeleiding op het kantoor van de GI omgang heeft met de minderjarige, waarbij de moeder het kind brengt en haalt. Deze regeling is bedoeld als minimale en voorlopige maatregel voor zes maanden, waarna evaluatie zal plaatsvinden.
De moeder staat achter deze regeling en benadrukt het belang van een rustige opbouw, terwijl de vader een ruimere omgang wenst zonder begeleiding. De kinderrechter oordeelt dat een onbegeleide en uitgebreidere omgang op dit moment niet in het belang van het kind is. De regeling wordt daarom vastgesteld als voorlopige zorgregeling, met het oog op het welzijn van de minderjarige en de noodzaak van een stabiele omgangssituatie.