ECLI:NL:RBROT:2023:1204

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
20 februari 2023
Zaaknummer
649086
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling begeleide zorgregeling voor omgang tussen vader en minderjarige

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de kinderrechter een zorgregeling vast te stellen voor de omgang tussen de vader en zijn minderjarige zoon, geboren in 2015. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar het contact tussen vader en zoon verloopt moeizaam door het dwingende gedrag van de vader en het ontbreken van constructieve afspraken.

De voorgestelde regeling houdt in dat de vader eenmaal per week op maandag- of dinsdagmiddag tussen 16.00 en 17.00 uur onder begeleiding op het kantoor van de GI omgang heeft met de minderjarige, waarbij de moeder het kind brengt en haalt. Deze regeling is bedoeld als minimale en voorlopige maatregel voor zes maanden, waarna evaluatie zal plaatsvinden.

De moeder staat achter deze regeling en benadrukt het belang van een rustige opbouw, terwijl de vader een ruimere omgang wenst zonder begeleiding. De kinderrechter oordeelt dat een onbegeleide en uitgebreidere omgang op dit moment niet in het belang van het kind is. De regeling wordt daarom vastgesteld als voorlopige zorgregeling, met het oog op het welzijn van de minderjarige en de noodzaak van een stabiele omgangssituatie.

Uitkomst: De kinderrechter stelt een begeleide omgangsregeling vast waarbij de vader eenmaal per week onder toezicht omgang heeft met de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/649086 / JE RK 22-2817
Datum uitspraak: 25 januari 2023

Beschikking van de kinderrechter over een zorgregeling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
betreffende

[minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2015 te [geboorteplaats01] ,

hierna te noemen: [voornaam minderjarige01] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder01] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.C. van Seventer, kantoor houdende te Rotterdam,

[vader01] ,

hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoor houdende te Rotterdam.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van
1 december 2022, ingekomen bij de griffie op 6 december 2022.
Op 25 januari 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:
- de advocaat van de vader, voornoemd;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, voornoemd;
- een vertegenwoordiger van de Raad, dhr. [naam01] , als informant;
- een vertegenwoordiger van de GI, mw. [naam02] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige01] wordt uitgeoefend door de ouders.
Bij beschikking van heden is [voornaam minderjarige01] onder toezicht gesteld tot 25 januari 2024.

Het verzoek

De GI heeft verzocht op grond van artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, naar de kinderrechter begrijpt in die zin dat [voornaam minderjarige01] eenmaal per week op maandag- of dinsdagmiddag tussen 16.00-17.00 uur begeleid omgang zal hebben met de vader op het kantoor van de GI. Hierbij zal de moeder [voornaam minderjarige01] brengen en halen. De bedoeling is dat deze zorgregeling zes maanden zal duren, waarna geëvalueerd zal worden.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en laten weten dat er sinds de thuisplaatsing van [voornaam minderjarige01] in december 2020 hard is gewerkt aan contactherstel tussen [voornaam minderjarige01] en de vader. [voornaam minderjarige01] wil zijn vader graag zien en de vader wil graag contact met zijn zoon. Ook de moeder staat achter het contact tussen [voornaam minderjarige01] en de vader. Het lukt de ouders echter niet om in onderling overleg constructieve afspraken te maken over de omgang. Ook de GI lukt het niet, met name ten gevolge van het gedrag van de vader, om tot afspraken te komen met hem. Het is van belang dat de omgang begeleid en op kantoor van de jeugdbescherming kan plaatsvinden, omdat de vader zich eerder niet aan de afspraken en de opbouw van de omgang heeft gehouden. De vader wil na één contactmoment gelijk overgaan op logeerweekenden. Dit gaat te snel. De gesprekken hierover met de vader stuiten op weerstand en de laatste tijd sluit de vader zich geheel af van het contact met de GI. De omgang komt dus niet goed van de grond.
Wat betreft de inhoud van de zorgregeling is niet gekozen voor de woensdagmiddag, omdat op die dag vaak leuke dingen gepland staan voor [voornaam minderjarige01] . Het is belangrijk dat hij deze niet hoeft te missen. Daarom is gekozen voor de maandag- of de dinsdagmiddag. Daarnaast is gekozen voor een tijdstip dat buiten de schooltijden van [voornaam minderjarige01] valt. Als de omgang gedurende een half jaar goed verloopt, kan worden gekeken naar een uitbreiding ervan.

Het standpunt van de moeder

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat zij achter de voorgestelde zorgregeling van de GI staat. Het is passend en goed voor [voornaam minderjarige01] dat deze zorgregeling voor een langere tijd zal gelden. De vader neemt snel het heft in handen, waardoor het gevaar bestaat dat het te snel gaat voor [voornaam minderjarige01] . Zo heeft de vader de vorige keer na één begeleid contactmoment zelfstandig besloten dat de begeleiding niet meer nodig was. Door het vastleggen van een langdurige zorgregeling met begeleid contact kan dit voorkomen worden. Het is goed om eerst te starten met de voorgestelde zorgregeling, in afwachting van het verloop van de familierechtelijke procedure die op dit moment aanhangig is. De moeder spreekt de hoop uit dat de vader zich aan de afspraken zal houden en dat de zorgregeling dit keer goed zal verlopen. Het is lastig voor [voornaam minderjarige01] dat het contact telkens weer moeizaam verloopt. De vader is nu aan zet. De moeder staat open voor een uitbreiding van de zorgregeling als de contactmomenten goed verlopen.

Het standpunt van de vader

Namens de vader is naar voren gebracht dat de voorgestelde zorgregeling te gering is; hij vindt dat hij met zo’n regeling zijn zoon veel te weinig ziet. Primair verzoekt de vader daarom afwijzing van het verzoek van de GI. De vader wil vaker omgang met [voornaam minderjarige01] , zonder tussenkomst van de GI. Subsidiair verzoekt de vader de kinderrechter om de voorgestelde zorgregeling toe te wijzen als voorlopige regeling, in afwachting van de familierechtelijke procedure. De vader heeft uiteraard liever weinig omgang dan geen omgang. De vader vindt dan ook dat de zorgregeling nu voor niet langer dan een half jaar kan worden vast gelegd, en zoveel korter als de familierechter passend vindt, opdat de familierechter snel een ruimere regeling kan vast stellen.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:265g, eerste lid, BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De omgang tussen [voornaam minderjarige01] en de vader komt al lange tijd niet goed van de grond. Dit lijkt met name het gevolg van het (dwingende en dreigende) gedrag van de vader richting zowel de moeder, [voornaam minderjarige01] en de dochter van moeder, als de GI. De moeder is (al jaren) onvoldoende weerbaar tegen het dwingende gedrag van de vader, wat ook al die tijd al zijn weerslag heeft op [voornaam minderjarige01] . Ondanks de pogingen van de moeder daartoe is het tot op heden - ook niet onder begeleiding van de GI - gelukt om een rustig verlopende en constructieve omgangsregeling te realiseren. Er is geen zicht op verbetering van de situatie en daarmee op verbetering van het contact tussen [voornaam minderjarige01] en de vader. Het is daarom noodzakelijk in het belang van [voornaam minderjarige01] dat een duidelijke zorgregeling wordt vastgesteld.
De moeder stemt in met de door de GI verzochte zorgregeling.
De kinderrechter is van oordeel dat de door de vader gewenste meer uitgebreide en onbegeleide omgangsregeling op dit moment niet haalbaar, en evenmin in het belang van [voornaam minderjarige01] is. Voordat tot een dergelijke omgangsregeling kan worden gekomen, behoort een start gemaakt te worden via de door de GI voorgestelde regeling. Als deze regeling een periode goed en rustig verloopt, zal dit (met name) bij [voornaam minderjarige01] vertrouwen brengen, waarna de omgang kan worden uitgebreid. Daarbij is van groot belang dat de vader zich meewerkend, betrouwbaar en constructief opstelt en goed bereikbaar is voor de GI.
Gezien het vorenstaande zal de kinderrechter de door de GI verzochte regeling vaststellen als minimale regeling, in afwachting van de beslissing van de kinderrechter op dit punt in de tussen de ouders aanhangige procedure. Mocht deze beslissing langer dan een half jaar op zich laten wachten, dan heeft de GI toegezegd de vast te stellen voorlopige en minimale regeling na een half jaar te zullen evalueren en te bezien of uitbreiding in het belang van [voornaam minderjarige01] is.

De beslissing

De kinderrechter:
bepaalt – in afwachting van de beslissing in de tussen de ouders aanhangige procedure - als (voorlopige en minimale) zorgregeling tussen de vader en [voornaam minderjarige01] : [voornaam minderjarige01] zal eenmaal per week op maandag- of een dinsdagmiddag tussen 16.00-17.00 uur begeleid omgang hebben met de vader op het kantoor van de GI, waarbij de moeder [voornaam minderjarige01] zal brengen en halen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2023 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, als griffier.
Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 15 februari 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.