De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van twee kinderen voor drie maanden, met een wijziging dat plaatsing in het netwerk, namelijk bij de grootouders aan vaderszijde, zou plaatsvinden. De kinderen verbleven reeds in een pleeggezin na een spoedmachtiging. De Raad bracht ernstige zorgen naar voren over dreiging vanuit de vader, die agent is en over een vuurwapen zou beschikken, maar deze zorgen zijn later afgezwakt na nadere informatie.
De vader betwistte de zorgen over zijn persoon en stelde dat de moeder onbetrouwbaar is vanwege psychische problemen en dat de uithuisplaatsing onterecht was. De moeder gaf aan psychische hulp nodig te hebben en erkende problemen in de opvang. De kinderrechter overwoog dat de situatie aanvankelijk ernstig was, mede door een steekincident waarbij de moeder de vader verwondde, maar dat de zorgen over de vader inmiddels zijn afgenomen. De zorgen over de moeder bleven bestaan.
De rechter besloot het verzoek van de Raad af te wijzen en de kinderen bij de vader te plaatsen, mits hij in de echtelijke woning kan verblijven, wat partijen overeenkwamen. Er werden voorwaarden gesteld aan de ouders om mee te werken aan het onderzoek en veilige omgang te waarborgen. De voorlopige ondertoezichtstelling blijft van kracht tot eind januari 2024.