Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan 24 schuldeisers, waarbij twintig schuldeisers instemden en vier schuldeisers weigerden. De regeling voorziet in een betaling van 7,34% aan preferente en 3,67% aan concurrente schuldeisers, gefinancierd via een saneringskrediet. Verzoekster kampt met depressieve klachten en is onder bewind gesteld.
De rechtbank constateert dat de weigering van de vier schuldeisers een gering aandeel van 9,3% betreft en dat de meerderheid van de schuldeisers akkoord is. De regeling is getoetst door een onafhankelijke partij en wordt als maximaal haalbaar beschouwd, mede gezien de terugval in het leer/werktraject van verzoekster.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster en de instemmende schuldeisers zwaarder dan dat van de weigeraars en beveelt deze laatste in te stemmen met de regeling. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat deze minder gunstig is voor schuldeisers en verzoekster niet is gestopt met betalen.
De kosten van de procedure worden begroot op nihil en de uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.