De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over het ouderlijk gezag van een minderjarige, waarbij de man een akte van erkenning had ingediend. De vrouw verzette zich tegen het gezamenlijk gezag vanwege een verklaring in de akte dat het gezag alleen door de moeder zou worden uitgeoefend. De rechtbank stelde vast dat deze verklaring onduidelijk en niet onderbouwd was, mede omdat de vrouw niet aanwezig was bij de ondertekening en de verklaring vermoedelijk door de ambtenaar was toegevoegd om aan te geven dat het gezag nog niet was toegekend.
De rechtbank benadrukte dat de erkenning op zichzelf niet tot gezag leidt zonder toestemming van de moeder of een rechterlijke beslissing, en dat de rechtbank reeds had besloten tot toekenning van gezamenlijk gezag in een eerdere beschikking. Het inhoudelijke debat over de wenselijkheid van gezamenlijk gezag werd niet heropend.
Uiteindelijk wijzigde de rechtbank het gezag zodat man en vrouw gezamenlijk het gezag over de minderjarige uitoefenen vanaf de datum van de beschikking. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door een advocaat worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.