Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam01] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen: schuldhulpverlening);
- mevrouw B. Demir, werkzaam bij Obin (hierna te noemen: beschermingsbewindvoerder).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser, Nationaal Grondbezit, te bevelen in te stemmen met een door verzoeker aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een gedeeltelijke betaling aan schuldeisers tegen finale kwijting, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die een Participatiewet-uitkering ontvangt en medische klachten heeft.
Vier schuldeisers stemden in met de regeling, Nationaal Grondbezit niet. De rechtbank onderzocht of deze schuldeiser in redelijkheid kon weigeren. Gezien het aandeel van Nationaal Grondbezit in de totale schuld (91,7%) en het belang bij volledige betaling, oordeelde de rechtbank dat weigering niet onredelijk was.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat het aanbod niet goed en controleerbaar was gedocumenteerd, met onduidelijkheden over het spaarsaldo en het saneringskrediet. Ook was onvoldoende aannemelijk dat verzoeker niet tot meer in staat is, aangezien medische stukken ontbraken en niet duidelijk was dat verzoeker arbeidsongeschikt is.
Daarom woog het belang van de schuldeiser zwaarder dan dat van verzoeker en de overige schuldeisers. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling werd afgewezen. Een afzonderlijke beslissing over de schuldsaneringsregeling volgt later.
Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs en niet maximaal haalbare regeling.