Eiser heeft in 2016 erfpachtrechten op registergoederen verkocht aan een derde en tegelijkertijd € 300.000,00 geleend aan gedaagden, met zekerheid in de vorm van een tweede hypotheekrecht. De notariële aktes en overeenkomsten, waaronder de geldleningsovereenkomst en hypotheekakte, zijn vernietigd door eerdere vonnissen.
De kern van het geschil betreft de vraag welke financiële gevolgen de vernietiging van de geldleningsovereenkomst heeft. Eiser vordert terugbetaling van het geleende bedrag minus een deel van de veilingopbrengst, vermeerderd met rente en kosten. Gedaagden voeren aan dat er geen geldlening was, maar een schulderkenning en dat het geld in de percelen is blijven zitten.
De rechtbank stelt vast dat de geldleningsovereenkomst wel degelijk bestond en dat de vernietiging terugwerkende kracht heeft, waardoor onverschuldigde betalingen ongedaan moeten worden gemaakt. Gedaagden moeten € 300.000,00 terugbetalen, verminderd met reeds betaalde rente en het bedrag uit de veilingopbrengst. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de verwevenheid met de koopovereenkomst geen invloed heeft op deze vordering.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af, veroordeelt gedaagden in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis is gewezen door mr. A. Wijsman-van Veen op 20 december 2023.