11.2De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan het LIC-overzicht, waaruit volgt dat voor de kinderopvangschuld van 2011 € 24,- aan rente is verrekend. Van de schuld van € 10.456,- over dat jaar is een bedrag van € 146,78 aan hoofdsom verrekend, waarnaast ook rente is verrekend. Voor het overige is er niet verrekend of afgelost, noch is er rente betaald over de terugvordering. Omdat er niet is afgelost, dus ook niet in termijnen, kan de rente niet zien op invorderingsrente. Daarom had deze € 24,- onder “D” en niet onder “I” opgenomen moeten worden. Maar dit maakt voor de hoogte van de compensatie niet uit. De rechtbank vindt het ook voorstelbaar dat verweerder deze € 24,- onder “I” heeft opgenomen, omdat eiseres in haar beroepschrift zelf aanvoert dat het om invorderingsrente gaat, die dus onder “I” thuis hoort. Omdat het plaatsen in het verkeerde onderdeel van de compensatieberekening verder geen consequenties heeft, verbindt de rechtbank daar geen gevolgen aan. Dat eiseres meer rente heeft betaald dan een bedrag van € 24,- acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt.
12. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond dat verweerder uitgaat van een onjuiste datum van het stopzetten van de kinderopvangtoeslag ingetrokken, omdat dit geen effect heeft op de hoogte van de compensatie. Deze beroepsgrond behoeft dus geen bespreking meer.
13. De conclusie is dat het beroep gegrond is, omdat de onderdelen “N” en “O” van de compensatieberekening te laag zijn vastgesteld. “N” moet met € 500,- verhoogd worden en “O” moet berekend worden op de manier die eiseres voorstaat.
De rechtbank kan niet overzien wat het effect van deze wijzigingen is op de totale compensatie, zodat zij het geschil niet zelf definitief kan beslechten. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen, bepalen dat verweerder de compensatie met inachtneming van de wijzigingen (verhogingen) opnieuw moet berekenen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
14. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.092,50.
Voor het ingediende beroep niet tijdig beslissen heeft eiseres recht op vergoeding van € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 0,5).
Voor het beroep tegen het bestreden besluit heeft eiseres recht op een vergoeding van € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1).