De rechtbank Rotterdam behandelde op 14 november 2023 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van witwassen van een totaalbedrag van circa €176.968,13 en €1.333,75 in de periode van november 2021 tot februari 2022.
De verdediging betwistte de geldigheid van de dagvaarding vanwege het ontbreken van een concrete specificatie van de transacties, aangezien het bedrag een optelsom betrof van diverse bijschrijvingen, waaronder salaris en toeslagen, waarvoor geen witwasvermoeden bestond. De rechtbank oordeelde echter dat de dagvaarding voldeed aan de wettelijke eisen en dat het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd was gezien het bedrag en het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte over de herkomst.
De officier van justitie vorderde vrijspraak en de rechtbank volgde dit standpunt. Er werd geoordeeld dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen, waardoor verdachte zonder nadere motivering werd vrijgesproken. De dagvaarding werd wel als geldig erkend. Het vonnis werd gewezen door voorzitter Putters en rechters Van Zinnen en Diekman.