ECLI:NL:RBROT:2023:12939

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 december 2023
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
FT EA 23/1070 / FT EA 23/1072
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ontruiming en niet-ontvankelijkheid verzoek schuldsaneringsregeling

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte ten uitvoer te leggen. Tevens verzocht hij om toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284 Faillissementswet Pro.

De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een bedreigende situatie doordat het vonnis tot ontruiming en het exploot met aankondiging van ontruiming waren overgelegd. Verzoeker gaf aan dat hij de huur van oktober en november 2023 had betaald, maar niet die van december 2023, in de veronderstelling dat schuldhulpverlening dit zou doen. Verzoeker was niet verschenen op de zitting van 21 december 2023, hoewel hij behoorlijk was opgeroepen.

De rechtbank oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat de lopende huurtermijnen voldaan kunnen en zullen worden, mede omdat verzoeker geen betaalbewijs voor december 2023 had overgelegd. Het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren woog zwaarder dan het belang van verzoeker om in de woning te blijven. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. Verzoeker kan te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen ontruiming wordt afgewezen en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 28 december 2023
[verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 31 oktober 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 31 oktober 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 november 2023. Ter zitting van 14 november 2023 is verzoeker niet verschenen. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling aangehouden tot 8 december 2023. Wegens persoonlijke omstandigheden heeft verzoeker de rechtbank verzocht om de zaak nogmaals aan te houden. De rechtbank heeft vervolgens de behandeling van het verzoek bepaald op 21 december 2023.
Ter zitting van 21 december 2023 is verschenen en gehoord:
- de heer mr. M. El Idrissi, werkzaam bij El Idrissi Advocaten, advocaat van verzoeker.
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van 21 december 2023 verschenen.
De heer of mevrouw H. Schutte, werkzaam bij Syncasso Gerechtsdeurwaarders heeft namens Stichting Havensteder, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een bericht toegezonden. Verweerster heeft meegedeeld dat er namens haar niemand ter zitting verweer zal voeren.
De advocaat van verzoeker heeft aan de rechtbank op 14 november 2023 en 22 december 2023 aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 10 februari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomsten uit een Wajong-uitkering. Hij heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende termijnen te betalen. Verzoeker heeft de huur van oktober 2023 en november 2023 betaald. Verzoeker is inmiddels ook toegelaten tot schulddienstverlening. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart. De advocaat van verzoeker heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat verzoeker niet ter zitting van 21 december 2023 is verschenen, omdat hij op spullen aan het wachten was voor zijn dialyse. Hij heeft bovendien verklaard dat verzoeker de huur van december 2023 niet heeft betaald, omdat verzoeker in de veronderstelling was dat schuldhulpverlening dit zou betalen.

3.Het verweer

Verweerster heeft bij bericht van 20 november 2023 kenbaar gemaakt dat ter zitting geen verweer zal worden gevoerd tegen het verlenen van een moratorium.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 10 februari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 28 september 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 2 november 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 10 februari 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Ter zitting van 21 december 2023 is gebleken dat verzoeker de lopende huur over december 2023 niet heeft voldaan. De rechtbank heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om aanvullende stukken in te dienen, waaronder een betaalbewijs van de huur van december 2023. Verzoeker heeft hieraan niet voldaan. De advocaat van verzoeker heeft weliswaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker schulddienstverlening en budgetbeheer krijgt, maar heeft niet aangetoond dat verzoeker de lopende huurtermijn(en) heeft voldaan. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. Ondanks dat verzoeker behoorlijk is opgeroepen, is hij bovendien voor de tweede maal niet ter terechtzitting verschenen om het verzoek nader toe te lichten. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 december 2023.