ECLI:NL:RBROT:2023:12992
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende vorderingsrecht
Verzoeker diende een verzoek tot faillietverklaring in tegen verweerder wegens een vermeende opeisbare vordering en het niet betalen van schulden aan Stichting Administratiekantoor Tofam. Verzoeker stelde dat hij borg stond voor een lening en recht had op een vergoeding van €16.500,00, welke niet werd voldaan. Tevens stelde verzoeker dat verweerder ook schulden had aan Tofam die onbetaald bleven.
Verweerder betwistte het bestaan van het vorderingsrecht van verzoeker, de borgstelling en de pluraliteit van schuldeisers. Tevens stelde verweerder een voorwaardelijk verweer op verrekening en betwistte hij de vorderingen van Tofam. Verweerder heeft een tegenvordering op verzoeker en beroept zich op verrekening.
De rechtbank oordeelde dat het vorderingsrecht van verzoeker niet summierlijk was gebleken omdat verzoeker geen schriftelijke stukken overlegde die de mondelinge afspraken bevestigen. De betwisting van verweerder kon niet zonder meer worden verworpen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verweerder in staat van faillissement verkeerde. De rechtbank zag daarom geen grond voor faillietverklaring.
Verder werd verzoeker veroordeeld in de proceskosten van verweerder, vastgesteld op €1.196,-. Het verzoek tot faillietverklaring werd derhalve afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen acht dagen.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het vorderingsrecht en verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.